ECLI:NL:RBGRO:2006:BD3564
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontslagambtenaar wegens plichtsverzuim vernietigd wegens onvoldoende bewijs
Eiser, werkzaam bij de Belastingdienst, werd door verweerder geschorst en vervolgens ontslagen wegens vermeend ernstig plichtsverzuim, in verband met het niet opgeven van buitenlandse bankrekeningen. Verweerder baseerde het ontslag op onderzoek, verklaringen en documenten, maar de rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat eiser bewust medeverantwoordelijk was voor het plichtsverzuim.
Eiser had bezwaar gemaakt tegen de schorsing en het ontslag, en beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Het beroep tegen het ontslagbesluit werd gegrond verklaard en vernietigd wegens ondeugdelijke grondslag.
De rechtbank oordeelde dat de eerdere onherroepelijke uitspraak over de schorsing doorwerkte in deze zaak. De aanvullende verklaringen en stukken brachten geen nieuwe feiten aan het licht. Verweerder kon niet overtuigend aantonen dat eiser wetenschap had van zijn rol als derde-rekeninghouder van de buitenlandse bankrekening.
Verder wees de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schade toe, omdat het onvoldoende gefundeerde ontslagbesluit de eer en goede naam van eiser had aangetast. De schadevergoeding werd vastgesteld op € 2000,-. Het griffierecht werd eveneens aan eiser vergoed.
Uitkomst: Het ontslagbesluit wegens plichtsverzuim wordt vernietigd en eiser krijgt een immateriële schadevergoeding van € 2000,- toegekend.