ECLI:NL:CRVB:2004:AR7273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Schending redelijke termijn bij herziening WW-uitkering en toekenning immateriële schadevergoeding
Appellant ontving vanaf 1994 een WW-uitkering die later werd herzien wegens niet volledig opgegeven zelfstandige werkzaamheden. Gedaagde, het UWV, stelde een terugvordering vast van ruim € 32.000. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen de besluiten. De procedure duurde ruim zeven jaar, waarbij de Raad vaststelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden.
De Raad oordeelde dat appellant terecht gedeeltelijk en later geheel geen recht meer had op de uitkering vanwege niet opgegeven werkzaamheden. De berekening van het aantal gewerkte uren door gedaagde werd als redelijk beoordeeld. De procedurele gang van zaken rondom de bezwaarbehandeling voldeed niet aan de Awb, maar appellant kon geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan het besluit dat geen nieuw terugvorderingsbesluit zou volgen.
De Raad stelde vast dat de lange duur van de procedure een schending van artikel 6 EVRM Pro betekende en dat appellant daardoor spanning en frustratie had geleden. Daarom kende de Raad een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten. Het bestreden besluit werd vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit wegens schending van de redelijke termijn en kent appellant een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe.