ECLI:NL:RBGRO:2009:BJ3703
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J.A.M. Dijkers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering DNA-onderzoek ter vaststelling vaderschap na belangenafweging
Eiser vordert dat gedaagde wordt veroordeeld tot medewerking aan een DNA-onderzoek om zekerheid te verkrijgen over zijn vermeend vaderschap van gedaagde, die nu 41 jaar oud is. Eiser baseert zijn vordering op het persoonlijkheidsrecht en stelt dat hij zekerheid wil over zijn vaderschap, mede vanwege spanningen in zijn huwelijk en testamentaire overwegingen.
Gedaagde weigert medewerking aan het DNA-onderzoek omdat zij ervan overtuigd is dat eiser haar biologische vader is en zij de kwestie jaren geleden heeft afgesloten. Zij beroept zich op het ontbreken van een rechtsgrond voor de vordering en wijst op haar recht op privacy en lichamelijke integriteit.
De rechtbank oordeelt dat het persoonlijkheidsrecht het recht omvat om te weten of een bepaalde persoon zijn kind is, maar dat dit recht niet absoluut is en moet worden afgewogen tegen de rechten van anderen. Na belangenafweging weegt het belang van gedaagde om vrede te hebben met haar kennis zwaarder dan het emotionele belang van eiser om zekerheid te verkrijgen.
De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten. De geringe inbreuk op de lichamelijke integriteit speelt geen doorslaggevende rol; de emotionele impact en het recht van gedaagde om niet geconfronteerd te worden met een mogelijk ander DNA-resultaat zijn doorslaggevend.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot medewerking aan DNA-onderzoek af vanwege het zwaardere belang van gedaagde om vrede te hebben met haar kennis over het vaderschap.