Uitspraak
15 april 1994.
Hoge Raad
In deze zaak vordert een meerderjarig buitenechtelijk kind, geboren in een katholieke inrichting voor ongehuwde moeders, inzage in gegevens over haar biologische vader die door haar moeder vertrouwelijk aan de instelling zijn verstrekt. De stichting Valkenhorst, opvolger van de inrichting, weigert deze gegevens te verstrekken op grond van een geheimhoudingsplicht jegens de moeder.
De rechtbank veroordeelde de stichting tot het verstrekken van gegevens over de biologische moeder, maar wees verdere vorderingen af. Het hof bekrachtigde dit vonnis en stelde dat verstrekking afhankelijk mocht zijn van toestemming van de moeder. De Hoge Raad vernietigt het arrest en het vonnis, en stelt dat het recht van het meerderjarig kind om te weten van welke ouders zij afstamt, een grondrecht is dat prevaleert boven het geheimhoudingsrecht van de moeder.
De Hoge Raad benadrukt dat het geheimhoudingsrecht van de stichting voortvloeit uit haar positie als hulpverlener, maar dat maatschappelijke belangen die het geheimhoudingsrecht zouden kunnen versterken, onvoldoende zijn onderbouwd. Het recht van het kind om zijn afstamming te kennen is vitaal en wordt gerechtvaardigd doordat de moeder mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van het kind. De stichting wordt veroordeeld om binnen vijf dagen inzage en afschrift te verstrekken van alle relevante gegevens omtrent de afstamming.
Uitkomst: De stichting Valkenhorst wordt veroordeeld om binnen vijf dagen inzage en afschrift te verstrekken van de afstammingsgegevens van het meerderjarig kind.