ECLI:NL:RBGRO:2010:BM6680
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Bastin, rechter in de bestuurssector, omdat hij geen vertrouwen had in diens onpartijdigheid. Verzoeker baseerde dit op het feit dat mr. Bastin meerdere keren zaken van hem had behandeld zonder dat hij ooit in het gelijk was gesteld, en stelde dat sprake was van 'legitimate doubt'. Daarnaast verwees hij naar het niet naleven van aanbeveling 8 van de leidraad voor onpartijdigheid.
De wrakingskamer, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, mr. T.F. Bruinenberg en mr. H.L. Stuiver, behandelde het verzoek. Mr. Bastin berustte niet in het verzoek en stelde dat hij geen reden zag zich terug te trekken. De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 en Pro 8:16 van de Awb en artikel 6 EVRM Pro, waarbij het uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd, dat de subjectieve beleving van verzoeker niet doorslaggevend is en dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of de schijn daarvan. Ook het argument over de leidraad werd verworpen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Bastin wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.