ECLI:NL:RBGRO:2010:BM6680

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
14 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
117040/HA RK 10-144
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens vermeende vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Bastin, rechter in de bestuurssector, omdat hij geen vertrouwen had in diens onpartijdigheid. Verzoeker baseerde dit op het feit dat mr. Bastin meerdere keren zaken van hem had behandeld zonder dat hij ooit in het gelijk was gesteld, en stelde dat sprake was van 'legitimate doubt'. Daarnaast verwees hij naar het niet naleven van aanbeveling 8 van de leidraad voor onpartijdigheid.

De wrakingskamer, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, mr. T.F. Bruinenberg en mr. H.L. Stuiver, behandelde het verzoek. Mr. Bastin berustte niet in het verzoek en stelde dat hij geen reden zag zich terug te trekken. De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:15 en Pro 8:16 van de Awb en artikel 6 EVRM Pro, waarbij het uitgangspunt is dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek onvoldoende was onderbouwd, dat de subjectieve beleving van verzoeker niet doorslaggevend is en dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of de schijn daarvan. Ook het argument over de leidraad werd verworpen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en het proces in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het verzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Bastin wordt afgewezen wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN
MEERVOUDIGE KAMER
Registratienummer: 117040 / HA RK 10-144
Datum beslissing: 14 april 2010
Beslissing op het schriftelijke verzoek van [verzoeker] wonende te [woonplaats], [adres] (hierna: verzoeker) tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
1. Procesgang
1.1. Bij brief van 16 maart 2010 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. H.J. Bastin, rechter in de bestuurssector van deze rechtbank, in een aanhang geschil waarin verzoeker als partij is betrokken.
1.2. Mr. Bastin heeft per brief van 16 maart 2010 laten weten niet te berusten in het wrakingsverzoek.
1.3. Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mrs. R.B.M. Keurentjes, T.F. Bruinenberg en H.L. Stuiver.
1.4. Op 12 april 2010 is het wrakingsverzoek van verzoeker tot wraking van
mr. Bastin ter zitting behandeld door de wrakingskamer. Mr. Bastin is verschenen. Verzoeker is -met tegenbericht- niet verschenen.
2. Het standpunt van verzoeker
2.1. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek - kort samengevat - aangevoerd dat hij er geen vertrouwen in heeft dat mr. Bastin zijn zaak zonder vooringenomenheid en zonder de schijn van partijdigheid zal behandelen. Voorts heeft mr. Bastin in het verleden meerdere keren zaken behandeld, waarbij verzoeker niet een enkele keer in het gelijk is gesteld. Naar de opvatting van verzoeker is sprake van legitimate doubt. Daarnaast leeft mr. Bastin aanbeveling 8 van de leidraad voor onpartijdigheid niet na.
3. Het standpunt van mr. Bastin
3.1. Mr. Bastin heeft aangegeven niet in het verzoek tot wraking te berusten. Hij stelt dat in hetgeen verzoeker in zijn wrakingsverzoek heeft aangevoerd geen reden ziet zich terug te trekken als behandelend rechter. Indien verzoeker in een zaak gelijk heeft, dan zal hij ook in het gelijk gesteld worden.
4. Beoordeling
4.1. Ingevolge artikel 8:15 van Pro de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2. Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Ingevolge het derde lid is verzoeker verplicht alle feiten en omstandigheden die hem tot zijn verzoek brengen, tegelijk voor te dragen.
4.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.
4.4. Het door verzoeker in zijn wrakingsverzoek gestelde, dat hij er geen vertrouwen in heeft dat mr. Bastin zijn zaak zonder vooringenomenheid en zonder de schijn van partijdigheid zal behandelen, is reeds gelet op het volledig ontbreken van een onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te concluderen tot blijk van partijdigheid of tot (de schijn van) vooringenomenheid aan de kant van de gewraakte rechter. Het door verzoeker gestelde dat mr. Bastin meerdere zaken van verzoeker heeft behandeld waarin hij geen enkele keer in het gelijk is gesteld acht de rechtbank, wat daar verder van zij, evenzeer onvoldoende om te kunnen concluderen tot (de schijn van) partijdigheid aan de kant van de gewraakte rechter. Daarbij komt dat de gronden van verzoeker een subjectieve opvatting weergeven, die in het geheel niet is geobjectiveerd.
Voor zover verzoeker een beroep heeft gedaan op aanbeveling 8 van de leidraad, gaat de rechtbank op gronden zoals hiervoor overwogen daaraan voorbij.
4.5. De rechtbank is op vorenstaande gronden van oordeel dat de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden moeten leiden tot afwijzing van het verzoek.
4.6. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden aangaande de genoemde leden van de rechtbank die de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden kunnen doen lijden.
4.7. De conclusie moet dan ook zijn dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.
5. BESLISSING
De rechtbank:
5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. Bastin af;
5.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (met zaaknummer AWB 09/1168 WWB) wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het indienen van het schriftelijke verzoek tot wraking;
5.3. beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker,
mr. Bastin, alsmede aan de Gemeente Groningen (SOZAWE) en het College van
Procureurs-Generaal.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. T.F. Bruinenberg en
mr. H.L. Stuiver, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010.
Mr. R.B.M. Keurentjes en mr. H.L. Stuiver zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.