ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2935
Rechtbank Groningen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening voor opvang uitgeprocedeerde asielzoekster en zoon op grond van WMO
Verzoekster, een uitgeprocedeerde asielzoekster uit Libanon, en haar minderjarige zoon vroegen bij de gemeente Stadskanaal opvang aan op grond van artikel 8 van Pro de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). De aanvraag werd afgewezen omdat zij niet rechtmatig in Nederland verblijven zoals vereist in artikel 8 van Pro de WMO en de Vreemdelingenwet 2000. Verzoekster stelde dat zij en haar zoon Palestijnse vluchtelingen zijn en verwees naar internationale verdragen en jurisprudentie ter onderbouwing van haar recht op opvang.
De voorzieningenrechter overwoog dat er wel sprake is van tijdelijke opvang door een betrokkene in Musselkanaal, maar dat niet is gebleken dat deze opvang op korte termijn zal worden beëindigd. De medische en psychische problemen van de zoon zijn onvoldoende onderbouwd met stukken. Hierdoor is geen spoedeisend belang aangetoond dat een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
De rechter wees het verzoek af en gaf aan dat een hernieuwd verzoek mogelijk is indien de opvang daadwerkelijk wordt beëindigd. De vraag of internationaal recht de toepassing van artikel 8 WMO Pro beperkt, bleef buiten beschouwing. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening voor opvang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.