ECLI:NL:RBGRO:2010:BN6288

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
1 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
120644/HA RK 10-314
Instantie
Rechtbank Groningen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:15 AwbArtikel 8 leidraad onpartijdigheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens vermeende partijdigheid en overschrijding redelijke termijn

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen rechter R.L. Vucsán wegens vermeende partijdigheid en overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Verzoeker stelde dat de rechter meerdere zaken tegen hem heeft behandeld waarbij hij zelden in het gelijk werd gesteld en dat de wederpartij onterecht extra stukken mocht indienen.

De rechtbank behandelde het wrakingsverzoek schriftelijk en tijdens een zitting waarbij verzoeker niet aanwezig was. De rechtbank overwoog dat het feit dat de wederpartij extra stukken mocht indienen en de duur van de procedure niet leiden tot een vermoeden van partijdigheid of schijn daarvan. Ook het eerdere ongelijk van verzoeker in procedures vormt geen grond voor wraking.

De rechtbank benadrukte de wettelijke norm dat rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. Geen van de aangevoerde omstandigheden voldeed hieraan.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdprocedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond bij het indienen van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen rechter Vucsán wordt afgewezen wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GRONINGEN
MEERVOUDIGE KAMER
Zaaknummer: 120644 / HA RK 10-314
Datum beslissing: 1 september 2010
Beslissing op het schriftelijke verzoek van [verzoeker], wonende aan de [adres], [woonplaats] (hierna: verzoeker) tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van mr. R.L. Vucsán.
1. Procesverloop
1.1. Bij brief van 2 augustus 2010 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. R.L. Vucsán, rechter in de bestuurssector van deze rechtbank, in het geschil met zaaknummer AWB 08/880 WWB G, waarbij verzoeker als partij is betrokken.
1.2. Mr. Vucsán heeft bij brief van 23 augustus 2010 medegedeeld niet in de wraking te berusten.
1.3. Op 31 augustus 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting behandeld. Mr. Vucsán is ter zitting verschenen. Verzoeker is, zoals hij bij brief van 30 augustus 2010 reeds aan de rechtbank had bericht, niet ter zitting verschenen.
2. Het standpunt van verzoeker
2.1. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek aangevoerd dat door mr. Vucsán aanbeveling 8 van de leidraad voor onpartijdigheid niet wordt nageleefd, nu door hem reeds een zeer groot aantal zaken van verzoeker zijn behandeld waarbij hij verzoeker in bijna geen enkele procedure gelijk heeft gegeven. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat door de lange duur van de procedure de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wordt overschreden. Tevens is in de genoemde procedure verweerder alsnog in de gelegenheid gesteld stukken in te brengen, hetgeen eens te meer leidt tot een onevenredige bevoordeling van verweerder.
3. Het standpunt van mr. Vucsán
3.1. Mr. Vucsán heeft aangevoerd dat het verzoek tot wraking niet toegewezen dient te worden. Dat verzoeker in eerdere procedures in het ongelijk is gesteld, is inherent aan het voeren van procedures en is geen grond voor wraking. De lengte van de duur van een procedure dan wel het in de gelegenheid stellen van de gemeente Groningen om alsnog stukken in te brengen is dit evenmin, waarbij van belang is dat het verzoek van de rechtbank aan de gemeente om stukken in te dienen in lijn is met de toepasselijke procedureregels.
4. Beoordeling
4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. 4.2. In artikel 8:15 Awb Pro is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb Pro/artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
4.3. Het feit dat verweerder in de genoemde procedure in de gelegenheid is gesteld (nadere) stukken in te brengen en de duur van deze procedure tot op heden, leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van partijdigheid of (schijn) van vooringenomenheid aan de kant van de gewraakte rechter. De overige stellingen van verzoeker dat de gewraakte rechter meerdere zaken van verzoeker heeft behandeld waarbij verzoeker naar diens oordeel bijna geen enkele keer in het gelijk is gesteld en dat de redelijke termijn in de lopende procedure zou zijn overschreden, leiden, zoals de rechtbank ook in eerdere beslissingen op door verzoeker ingediende wrakingsverzoeken heeft overwogen, evenmin tot dit oordeel. Het door verzoeker gedane beroep op schending van artikel 8 van Pro de leidraad voor onpartijdigheid van de rechter wordt derhalve verworpen.
4.4. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.
5. Beslissing
De rechtbank:
5.1. wijst het verzoek af,
5.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (met zaaknummer AWB 08/880 WWB G) wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van het indienen van het schriftelijke verzoek tot wraking,
5.3. beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker,
mr. Vucsán en het College van Burgemeester en Wethouders Groningen, Dienst SOZAWE, afdeling Juridische Zaken.
Aldus gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, M. Griffioen en T.F. Bruinenberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Beuker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2010.
chb