Uitspraak
RECHTBANK GRONINGEN
([plaats] ,
Rechtbank Groningen
Eiser was sinds 1987 in dienst bij gedaagde partij, aanvankelijk als enveloppendrukker, later vanwege RSI-klachten werkzaam als oplegger. In 2010 werd hij ontslagen wegens een reorganisatie waarbij de functie van oplegger kwam te vervallen. Eiser stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, omdat het gebaseerd was op een voorgewende reden en gedaagde partij onvoldoende had gedaan aan re-integratie.
De kantonrechter overwoog dat de feitelijke functie van eiser sinds 1999 oplegger was, niet drukker zoals op het loonstrookje stond vermeld. Er was geen sprake van een voorgewende reden. Gedaagde partij had voldoende re-integratie-inspanningen geleverd, waaronder een cursus vierkleurendrukpers, en eiser had de functiewijziging geaccepteerd.
Eiser voerde subsidiair aan dat de gevolgen van het ontslag te ernstig waren in verhouding tot het belang van gedaagde partij. De kantonrechter stelde vast dat eiser een passende vergoeding had ontvangen op basis van de RFR-regeling en gebruik had gemaakt van een outplacementtraject. Ondanks zijn matige positie op de arbeidsmarkt was het ontslag niet kennelijk onredelijk.
De vordering van eiser werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter G.R. van Baak-Klijnsma op 19 mei 2011 in Groningen.
Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen; vergoeding op basis van de RFR-regeling is passend.