ECLI:NL:RBGRO:2011:BT2391
Rechtbank Groningen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wegens schending hoorrecht minderjarige bij ontuchtige handelingen
De rechtbank Groningen behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen 12 en 16 jaar, waaronder seksueel binnendringen en het voorstellen van een ontmoeting via sms met het oog op ontuchtige handelingen.
De ten laste gelegde feiten waren strafbaar gesteld onder artikelen 245 en 248e van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 167a van het Wetboek van Strafvordering vereist dat het openbaar ministerie de minderjarige in de gelegenheid stelt zijn of haar mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.
Uit het dossier en de zitting bleek dat dit hoorrecht niet was nageleefd. De minderjarige was niet gevraagd of zij vervolging wenselijk achtte, terwijl uit eerdere verklaringen bleek dat de seksuele handelingen met instemming plaatsvonden en zij geen aangifte wilde doen. Ook met betrekking tot het sms-voorstel was zij niet gehoord.
De officier van justitie kon niet aantonen dat het algemeen belang zwaarder woog dan de belangen van de minderjarige. Gezien de omstandigheden en het ontbreken van zorgvuldigheid in het onderzoek verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens niet-naleving van het hoorrecht van de minderjarige.