ECLI:NL:RBGRO:2012:BY8231

Rechtbank Groningen

Datum uitspraak
13 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
133773/PR RK 12-195
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek wegens ontbreken van rechterlijke vooringenomenheid

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen mr. R.L. Vucsán, rechter in de bestuurssector, vanwege vermeende vooringenomenheid in een procedure waarin schadevergoeding werd gevraagd voor het handelen van mr. Vucsán zelf.

De rechtbank stelde vast dat mr. Vucsán eerder in een gerelateerde procedure uitspraak had gedaan en dat de voortgezette behandeling van deze zaak geen aanleiding gaf tot het vermoeden van partijdigheid. Verzoeker kon zijn stelling onvoldoende onderbouwen.

Op grond van artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro oordeelde de rechtbank dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor het ontbreken van onpartijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en de hoofdprocedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. R.L. Vucsán wordt afgewezen wegens het ontbreken van feiten die rechterlijke onpartijdigheid aantasten.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK GRONINGEN
MEERVOUDIGE KAMER
Zaaknummer: 133773 / PR RK 12-195
Datum beslissing: 13 juni 2012
Beslissing op het schriftelijke verzoek van [A], wonende aan de [adres], [woonplaats] (hierna: verzoeker) tot wraking ingevolge artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van mr. R.L. Vucsán.
1. Procesverloop
1.1. Bij brief van 3 mei 2012 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. R.L. Vucsán, rechter in de bestuurssector van deze rechtbank, in het geschil met zaaknummer AWB 11/1226 WET G, waarbij verzoeker als partij is betrokken.
1.2. Mr. Vucsán heeft bij e-mail van 10 mei 2012 medegedeeld niet in de wraking te berusten.
1.3. Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. E.J. Oostdijk en mr. E.M.J. Brink.
1.4. Op 24 mei 2012 is het wrakingverzoek ter zitting behandeld. Mr. Vucsán en verzoeker zijn niet ter zitting verschenen.
1.5. Bij brieven van 24 en 25 mei 2012 heeft verzoeker geprotesteerd tegen de gang van zaken om reden dat hij eerst in de middag van 24 mei 2005 het bericht dat de zitting op die dag zou plaatsvinden heeft ontvangen. De rechtbank heeft dit protest van verzoeker opgevat als een verzoek om op een nadere zitting gehoord te worden.
1.6. Op 5 juni 2012 heeft de nadere zitting van de behandeling van het wrakingverzoek plaatsgevonden. Daarbij is verzoeker verschenen. Mr. Vucsán is niet ter zitting verschenen.
2. Het standpunt van verzoeker
2.1. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn wrakingverzoek aangevoerd dat
mr. Vucsán door het geschil met zaaknummer AWB 11/1226 WET G te behandelen de schijn van partijdigheid heeft gewekt, nu deze zaak ziet op het verzoek om toekenning van schade¬vergoeding voor het schadetoebrengend handelen van mr. Vucsán zelf. Aldus is de vooringenomenheid en partijdigheid van mr. Vucsán gegeven.
3. Het standpunt van mr. Vucsán
3.1. Mr. Vucsán heeft niet in de wraking berust, nu hij hiervoor in het door verzoeker aangevoerde geen reden ziet.
4. Beoordeling
4.1. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 8:15 Awb Pro en artikel 6 EVRM Pro, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.
4.2. In artikel 8:15 Awb Pro is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 8:15 Awb Pro/artikel 6 EVRM Pro dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van haar/zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
4.4. De rechtbank stelt vast dat in de procedure met nummer AWB 08/880 WET G door mr. Vucsán op 5 juli 2011 uitspraak is gedaan, waarbij het onderzoek ter beoordeling van het verzoek van verzoeker om schadevergoeding als bedoeld in art. 8:73 Awb Pro is heropend en de Staat der Nederland in de gelegenheid is gesteld zich binnen zes weken uit te laten over de vraag of een schadevergoeding aan verzoeker moet worden toegekend.
4.5. Vervolgens heeft in de procedure met nummer AWB 08/880 WET G de Staat der Nederlanden bij brief van 20 november 2011 wegens overschrijding van de redelijke termijn aan verzoeker een compensatie van € 1.000,00 aangeboden. Bij brief van 2 december 2011 heeft verzoeker dit schikkingsvoorstel ten bedrage van € 1.000,00 aanvaard. Bij brief van 12 december 2011 heeft verzoeker geschreven zijn beroep niet in te willen trekken en als com¬pensatie € 1.500,00 te willen ontvangen. De rechtbank heeft (kennelijk) de brief van ver¬zoeker van 12 december 2011 als beroepschrift aangemerkt, welk beroepschrift is geregis¬treerd onder nummer AWB 11/1226 WET G.
4.6. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de procedure met nummer AWB 11/1226 WET G moet worden gezien als een voortgezette behandeling van de procedure met nummer AWB 08/880 WET G, waarin mr. Vucsán de uitspraak van 5 juli 2011 heeft gewezen. Het enkele feit dat er sprake is van een (soort van) voortgezette behandeling maakt niet dat er sprake is van een feit en/of omstandig¬heid waar¬door de rechterlijke onpartij¬dig¬heid schade zou kunnen lijden.
4.7. Voor zover verzoeker heeft betoogd dat mr. Vucsán in de procedure met nummer AWB 11/1226 WET G zou moeten oordelen over een schadevergoeding die door zijn han¬delen is ontstaan, te weten dat hijzelf de termijnoverschrijding heeft veroorzaakt, is de rechtbank tegen de achtergrond van de hiervoor weerge¬geven feite¬lijke gang van zaken van oordeel dat verzoeker deze stelling onvoldoende heeft onder¬bouwd dan wel aannemelijk heeft gemaakt, zodat niet is gebleken van een feit en/of omstandig¬heid waar¬door de rechterlijke onpartij¬dig¬heid schade zou kunnen lijden.
4.8. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.
5. Beslissing
De rechtbank:
5.1. wijst het verzoek af,
5.2. bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (met zaaknummer AWB 11/1226 WET G) wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het schriftelijke verzoek tot wraking,
5.3. beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoeker,
mr. Vucsán en de Minister van Veiligheid en Justitie, afdeling Financiën, Bedrijfsvoering en Toezicht.
Aldus gegeven door mrs. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, E.J. Oostdijk en E.M.J. Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Beuker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.
chb