ECLI:NL:RBHAA:2000:AA8241
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum WW-uitkering bij toepassing overgangsrecht op opzegtermijn
Eiser was sinds 1 maart 1985 als directeur werkzaam bij de rechtsvoorgangster van Stichting [werkgever]. De arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever ontbonden per 1 juli 1999. Eiser vroeg een WW-uitkering aan ingaande 1 juli 1999, maar het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) stelde de ingangsdatum uit tot 10 oktober 1999.
Eiser maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat ongegrond werd verklaard. Hij stelde beroep in bij de rechtbank Haarlem, die het geschil behandelde. Het centrale punt was de uitleg van artikel 16, derde lid, WW in samenhang met artikel 7:672 BW Pro, waarbij de vraag speelde of de opzegtermijn volgens het nieuwe recht per 1 januari 1999 of het overgangsrecht moest worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat omdat eiser op 1 januari 1999 ouder was dan 45 jaar en een langere opzegtermijn had dan het nieuwe recht voorschrijft, de oude opzegtermijn blijft gelden zolang hij bij dezelfde werkgever in dienst bleef. Dit betekent dat de ingangsdatum van de WW-uitkering moet worden vastgesteld op basis van de oude opzegtermijn, conform het overgangsrecht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vastgestelde ingangsdatum van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard.