ECLI:NL:RBHAA:2004:AO5580

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
20 februari 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Awb 03-497
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 7:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens verhuizing naar onaangepaste woning op WVG-indicatie

Eisers, vertegenwoordigers van een kind met een ernstige stofwisselingsziekte, vroegen schadevergoeding aan bij de gemeente Uitgeest wegens verhuizing naar een woning die niet was aangepast zoals toegezegd. De gemeente wees het verzoek af, waarna eisers bezwaar en beroep instelden.

De rechtbank oordeelde dat de schade niet veroorzaakt was door een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, maar door feitelijk handelen van de gemeente. Hierdoor was het bezwaar niet ontvankelijk en het besluit tot afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding onrechtmatig.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit met uitzondering van de rentevergoeding, en veroordeelde de gemeente tot betaling van proceskosten en griffierecht. Eisers werd geadviseerd hun schadevergoeding via de burgerlijke rechter te vorderen.

De uitspraak bevestigt dat bestuursrechtelijke schadevergoedingsclaims alleen ontvankelijk zijn indien de schade voortvloeit uit een besluit en niet uit feitelijk handelen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de schadevergoeding wordt vernietigd wegens feitelijk handelen.

Uitspraak

reg. nr: Awb 03 - 497
uitspraakdatum: 20 februari 2004
RECHTBANK HAARLEM, sector bestuursrecht
meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in de zaak van:
[eiser 1 en 2],
wettelijke vertegenwoordigers van [kind],
allen wonende te [woonplaats],
eisers,
gemachtigde: mr. H. Küçüközcan, advocaat te Alkmaar,
-- tegen --
het college van burgemeester en wethouders van Uitgeest,
verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Namens eisers is bij brief van 16 augustus 2002 een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij verweerder.
Bij besluit van 6 december 2002 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Bij genoemd besluit is wel een rentevergoeding toegekend in verband met overschrijding van de beslistermijn met betrekking tot het verzoek om vervoerskostenvergoeding.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 23 december 2002 bezwaar gemaakt.
Namens eisers is bij verzoekschrift d.d. 10 maart 2003 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 28 maart 2003 is dit verzoek afgewezen.
Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de Commissie Bezwaar- en Beroepschriften d.d. 20 januari 2003.
Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 20 maart 2003, aangevuld bij brief van 12 mei 2003, beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, alwaar eisers in persoon zijn verschenen, vergezeld van hun gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen mr. W.A.M. Admiraal en R. Wals, beiden werkzaam bij de gemeente.
2. Overwegingen
2.1. [kind], geboren op 18 juni 1995, lijdt aan een stofwisselingsziekte, die tot gevolg heeft dat haar spierfuncties achteruit gaan en haar lichaamsfuncties grotendeels zijn uitgevallen. Zij is voor al haar verrichtingen volledig afhankelijk van haar ouders. In verband met haar handicaps zijn diverse voorzieningen in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) aangevraagd en verstrekt.
2.2. Verweerder heeft op 5 april 2000 besloten eisers in aanmerking te laten komen voor vergoeding van de kosten van woningaanpassing op basis van de geadviseerde aanpassingen op grond van het rapport van Zorgvoorzieningen Nederland (ZVN) d.d. 23 maart 2000. Bij besluit van 3 juli 2000 heeft verweerder vervolgens besloten eisers een aangepaste woning toe te wijzen. De woning zou conform de geadviseerde aanpassingen van ZVN worden opgeleverd. Tevens heeft verweerder bij dit besluit besloten eisers in aanmerking te laten komen voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing naar de toegewezen woning. Tegen de besluiten van 5 april 2000 en 3 juli 2000 hebben eisers geen rechtsmiddelen aangewend.
2.3. Eisers stellen dat verweerder met het besluit d.d. 5 april 2000 de schijn en indruk heeft gewekt dat de woning van eisers aan de [adres 1] overeenkomstig de ingediende aanvraag en het rapport van ZVN zou worden aangepast.
Eisers stellen dat zij schade hebben geleden als gevolg van het feit dat zij door verweerder min of meer gedwongen zijn te verhuizen, terwijl de woning die aan hen is toegewezen ([adres 2]) niet was aangepast en in verwaarloosde staat verkeerde, waardoor zij gedurende langere tijd niet hebben kunnen beschikken over geschikte voorzieningen. Eisers begroten de totale schade op € 53.392,16.
2.4. Eisers stellen dat het besluit van verweerder van 6 december 2002 naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en derhalve voor bezwaar vatbaar was. Het beroep richt zich niet tegen de bij dit besluit toegekende en in bezwaar gehandhaafde rentevergoeding over de vervoerskostenvergoeding. De geleden schade is volgens eisers veroorzaakt door het niet-nakomen van schriftelijke toezeggingen die door verweerder in het kader van een publiekrechtelijke bevoegdheid zijn gedaan. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 1997 (AB 1997, 229), is het mogelijk schadeclaims via het bestuursrechtelijke traject af te doen, aldus eisers.
2.5. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de bestuursrechter bevoegd te oordelen over een verzoek tot schadevergoeding, indien de gestelde schade is veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening door het bestuursorgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid (materiële connexiteit). De rechtbank is alleen dan bevoegd van het geschil kennis te nemen indien zij ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf (processuele connexiteit).
Verweerder heeft in het kader van de Wvg een aantal besluiten genomen. De enkele omstandigheid dat hierbij sprake is van de uitvoering van een publiekrechtelijke taak, maakt de weigering om de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden niet tot een besluit dat vatbaar is voor beroep bij de bestuursrechter.
Van een dergelijk besluit is slechts sprake indien de gestelde schade wordt veroorzaakt door een besluit in de zin van de Awb. Dat is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat de gestelde schade niet is veroorzaakt door het besluit d.d. 5 april 2000, noch door het besluit d.d. 3 juli 2000, maar door het door verweerder niet handelen conform die besluiten. Dit moet worden aangemerkt als een feitelijk handelen door verweerder. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarde dat de schade is veroorzaakt door een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verwijst in dit verband nog naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 29 oktober 2003 (JB 2003, 344).
2.6. Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht.
2.7. Het beroep is gegrond. Het besluit van 18 maart 2003 voor zover bestreden, moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 8:1 juncto Pro 7:1 juncto 1:3, eerste lid, Awb. Het door eisers ingediende bezwaar dient dan ook alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daartoe zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Aan verdere, inhoudelijke beoordeling van het beroep komt de rechtbank derhalve niet toe. Het meer of anders gevorderde wordt dan ook afgewezen.
2.8. Voorts bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten laste van verweerder in verband met de aan eisers door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
2.9. Omtrent het verzoek om vergoeding van de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken, overweegt de rechtbank het volgende. Dit verzoek is namens eisers eerst tijdens de zitting gedaan. Ingevolge artikel 7:15, derde lid, Awb, wordt een dergelijk verzoek gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, wordt dit verzoek afgewezen.
2.10. Gelet op artikel 8:71 Awb Pro merkt de rechtbank op dat eisers zich tot de burgerlijke rechter kunnen wenden ter zake van de schadevergoeding die zij van verweerder hebben gevorderd.
3. Beslissing
De rechtbank
3.1. verklaart het beroep gegrond;
3.2. vernietigt het bestreden besluit d.d. 18 maart 2003 met uitzondering van de daarbij gehandhaafde rentevergoeding over de vervoerskosten;
3.3. verklaart het bezwaar van eisers tegen het besluit d.d. 6 december 2002 niet-ontvankelijk;
3.4. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
3.5. veroordeelt verweerder in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Uitgeest aan de griffier van de rechtbank;
3.6. gelast dat de gemeente Uitgeest aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 31,-- vergoedt.
3.7. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.F.W. Brouwer, voorzitter en mrs. E. Jochem en P.M.B. Schrijvers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Koopman, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op:
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.