De feiten
a. In de zomer van 2001 hebben [gedaagden] van [X en Y] gekocht de percelen gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats gedaagden], kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding]. Op bedoelde percelen bevinden zich een woning, een paardenpension en een manege. De voorzijde van de woning is gelegen aan de [adres]. Aan de achterzijde van de woning bevinden zich het paardenpension en de manege. De percelen van [gedaagden] zijn aan de achterzijde omsloten door de percelen van [eisers]. Vanaf de achterzijde van de percelen van [gedaagden] is slechts toegang tot de openbare weg via een pad dat over de percelen van [eisers] loopt naar de [adres] (hierna: het pad).
b. Voor de afvoer van mest van de mestopslag en aanvoer van veevoer maakten [X en Y] en [Q], hun rechtsvoorganger, gebruik van het pad. [X en Y] hebben dit pad verhard met stelconplaten ten behoeve van vrachtwagens die mest ophalen.
c. In een tussen partijen gesloten overeenkomst van juni 2001 zijn partijen overeengekomen dat [gedaagden] van [eisers] een stuk grond (hierna ook: het stuk grond) mogen gebruiken - als buiten uitloop voor de paarden en voor de mestopslag - tegen betaling van een vergoeding. In deze overeenkomst zijn onder meer de navolgende bepalingen opgenomen:
1. Bij verkoop van de grond, geheel of gedeeltelijk, door de Hr. [eiser], zal door de Fam.[gedaagden] geen belemmering worden opgeworpen. Er kunnen geen rechten aan ontleend worden.
…
6. De in bruikleen gegeven grond moet na een opzegtermijn van 6 maanden vrij van stelcon-platen, mestbak en hekwerken worden opgeleverd.
d. Partijen zijn verder overeengekomen dat [gedaagden] gebruik mogen maken van het pad. Blijkens de schriftelijke bevestiging van deze overeenkomst d.d. 8 juni 2001 van [eisers] aan [gedaagden] zijn partijen onder meer het navolgende overeengekomen:
[eiser] behoudt het recht een strook grond van ong. drie meter breed direct gelegen naast de plantenkas, over de gehele diepte van het perceel van 45 mtr., te blijven gebruiken voor de opslag van kratten en ander materiaal.
In ruil hiervoor mag de Fam. [gedaagden] het bestaande pad wat op ons land ligt van en naar de [straatnaam], gebruiken voor afvoer van mest en aanvoer van stro, hooi en of veevoeder, tot wederopzegging.
Een simpele opzegging door een der personen kan deze afspraken opheffen met onmiddellijke ingang, zonder dat een der personen recht heeft op enig gebruik nadien of schadevergoeding vanwege verval van gebruik.
e. Bij brief d.d. 5 juni 2003 heeft [eiser] aan [gedaagden] het navolgende medegedeeld:
Sinds 1.07.2001 heeft u een gedeelte van ons land (5000 m2) in gebruik. Dit stuk land wordt door u gebruikt als weiland en opslag van paardenmest. Daar wij dit perceel zelf willen gaan betelen, c.q. gebruiken, zijn wij genoodzaakt de huurovereenkomst met u op te zeggen.
Volgens deze overeenkomst van 8.06.2001 heeft u 6 maanden de gelegenheid om het land “schoon” op te leveren, d.w.z. vrij van alle hekwerken.
Tevens ontzeggen wij u de mogelijkheid om gebruik te maken van ons landpad van en naar de [straatnaam]. Dit zal ingaan op 1-12-2003. Voor deze datum moeten de mestbak en stelconplaten verwijderd zijn. Wij zullen ervoor zorg dragen dat alle kratten tussen de kas en de rijhal verwijderd zullen zijn.
f. Bij brief d.d. 24 september 2003 heeft mr. Garvelink namens [eisers] voor zover nodig de overeenkomst tot bruikleen van het stuk grond opgezegd tegen 1 maart 2004.
g. Omdat [eisers] vanaf 1 december 2003 het pad geblokkeerd hielden hebben [gedaagden] een voorziening gevraagd bij de kort geding-rechter van deze rechtbank. In afwachting van een beslissing in de bodemprocedure heeft deze bij vonnis van 6 februari 2004 [eisers] geboden de overeenkomst met betrekking tot het gebruik van het land en het pad na te komen op straffe van een dwangsom.