ECLI:NL:RBHAA:2005:AU4769
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aftrek uitgaven levensonderhoud dochter in Pakistan wegens onvoldoende bewijs behoeftigheid
Eiser heeft voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij de inspecteur het belastbaar inkomen heeft verhoogd vanwege correcties op aftrekposten, waaronder uitgaven voor levensonderhoud van zijn dochter die in Pakistan woont.
Eiser stelde dat hij recht heeft op aftrek van de overgemaakte bedragen aan zijn dochter als uitgaven voor haar levensonderhoud. Ter onderbouwing overlegde hij verklaringen van zijn dochter en een lokale Counciller in Pakistan, waarin werd gesteld dat de dochter financieel afhankelijk is van eiser.
De rechtbank oordeelde dat deze verklaringen onvoldoende bewijs vormen omdat zij eigen verklaringen zijn zonder objectieve onderbouwing, niet tijdsgebonden zijn en geen inzicht geven in de daadwerkelijke behoeftigheid van de dochter. Eiser heeft geen aanvullende stukken overgelegd die de afhankelijkheid aannemelijk maken.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich redelijkerwijs gedrongen heeft gevoeld tot het doen van deze uitgaven en dat de aftrek daarom terecht is geweigerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige belastingkamer van de rechtbank Haarlem op 10 oktober 2005.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat de dochter behoeftig is en in belangrijke mate door eiser wordt onderhouden.