ECLI:NL:RBHAA:2006:AW0880
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering tot schadevergoeding wegens te lage waardering nalatenschap afgewezen wegens verjaring
In deze civiele zaak vordert eiseres H. vergoeding van haar aandeel in de nalatenschap van haar overleden vader, omdat zij stelt dat de akte van verdeling uit 1975 een te lage waardering van de activa bevatte, met name schilderijen. Zij baseert haar vordering op onrechtmatige daad jegens haar door gedaagde L., die tevens erfgenaam is.
L. voert verweer met onder meer verjaring en stelt dat de vordering reeds is voldaan of dient te worden verrekend met schulden die partijen jegens elkaar hebben. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vergoeding van het verschil in waardering verjaard is op grond van artikel 3:310 lid 1 BW Pro en artikel 73 Overgangswet Pro Nieuw Burgerlijk Wetboek. De situatie van H. is niet vergelijkbaar met die van asbestslachtoffers, waarbij verjaring soms wordt verlengd.
De rechtbank wijst het beroep op verlenging van de verjaring af en oordeelt dat H. haar vordering te laat heeft ingesteld. Wel wordt een bedrag van EUR 42.868,35 toegewezen aan H. na verrekening van schulden tussen partijen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Vordering tot schadevergoeding wegens te lage waardering nalatenschap afgewezen wegens verjaring, maar betaling van EUR 42.868,35 toegewezen na verrekening.