ECLI:NL:RBHAA:2006:AX8927

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
16 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
124889/HA ZA 06-247
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • A.C. Monster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 WWBArt. 60 lid 3 WWBArt. 438 lid 2 RvArt. 438 lid 5 RvArt. 6:162 BW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verbod executoriale verkoop auto's na aansprakelijkstelling WWB

De gemeente Haarlem heeft conservatoir beslag gelegd op twee auto's van eiseres J. vanwege een vordering van bijna €18.000,- wegens ten onrechte ontvangen uitkering door een derde, D. De gemeente stelde J. hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 59 WWB Pro, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

J. vorderde in kort geding dat de gemeente werd verboden over te gaan tot executoriale verkoop van de auto's en dat de gemeente werd veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand en het geding. De gemeente voerde verweer, onder meer dat J. niet-ontvankelijk was omdat de bestuursrechter bevoegd is voor toetsing van het besluit.

De rechtbank oordeelde dat J. niet tegen het besluit zelf opkomt maar alleen schorsing van de tenuitvoerlegging verlangt op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro. De vordering is gebaseerd op vermeend misbruik van executiebevoegdheid, een civielrechtelijke grondslag waar de burgerlijke rechter bevoegd is. Het verweer dat J. geen schuldenaar is faalt omdat zij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld.

De voorzieningenrechter stelt dat schorsing van executoriale titel alleen kan als de titel klaarblijkelijk op een misslag berust of als tenuitvoerlegging een noodtoestand veroorzaakt. Het besluit heeft formele rechtskracht en J. heeft geen misslag of noodtoestand aangetoond. Daarom is geen misbruik van bevoegdheid en wordt de vordering afgewezen. J. wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.064,-.

Uitkomst: De vordering tot verbod op executoriale verkoop wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 124889 / KG ZA 06-247
Vonnis in kort geding van 16 juni 2006
in de zaak van
I.J.,
wonende te [woonplaats],
eiseres,
procureur mr. S. Faber,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE HAARLEM,
zetelend te Haarlem,
gedaagde,
procureur mr. E. van Elst.
Partijen zullen hierna J. en de gemeente genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van J.
- de pleitnota van de gemeente.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Na daartoe verkregen verlof heeft de gemeente op 23 december 2005 onder meer conservatoir beslag laten leggen op de auto van J. van het merk Porsche met het kenteken RT-ZV-17.
2.2. Na daartoe verkregen verlof heeft de gemeente op 1 februari 2006 conservatoir beslag laten leggen op de auto van J. van het merk Peugeot met het kenteken 55-JB-XP. Op dezelfde dag is de Peugeot in bewaring gesteld.
2.3. De gemeente vordert een bedrag van € 17.949,22 terug van de heer E.G.G.M. D. (hierna: D.) wegens een door hem ten onrechte ontvangen uitkering volgens de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Bij besluit van 2 februari 2006 (hierna: het besluit) heeft de gemeente J. hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze vordering op grond van artikel 59 WWB Pro, omdat D. en J. volgens de gemeente een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de periode dat de uitkering verstrekt werd.
2.2. Bij proces-verbaal van 11 mei 2006 is aan J. aangezegd dat het beslag op beide voornoemde auto’s is overgegaan in de executoriale fase en dat de executoriale verkoop van beide auto’s is bepaald op 19 juni 2006.
3. Het geschil
3.1. J. vordert - samengevat - de gemeente te verbieden over te gaan tot de executoriale verkoop van beide voornoemde auto’s en de gemeente te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die J. in het kader van de Wet op de rechtsbijstand is verschuldigd, met veroordeling van de gemeente in de kosten van dit geding.
3.2. De gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Primair heeft de gemeente het verweer gevoerd dat J. niet-ontvankelijk is in haar vordering. Ter onderbouwing heeft de gemeente aangevoerd dat het besluit een administratief besluit is en dat de toetsing van de gegrondheid daarvan is voorbehouden aan de bestuursrechter. Voor hetgeen J. met haar vordering beoogt, bestaat een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke spoedprocedure waarbij de bestuursrechter het besluit kan schorsen, zodat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dat besluit vervalt, aldus de gemeente. De gemeente verwijst daarbij naar de uitspraken van de Hoge Raad van 28 april 1989 (NJ 1990/213), 12 december 1986 (NJ 1987/381), 22 december 2000 (NJ 2001, 66) en 3 oktober 2003 (NJ 2004, 557).
4.2. Dit verweer faalt. Blijkens haar vordering komt J. niet op tegen het besluit zelf en evenmin beoogt zij schorsing van dat besluit. J. wenst enkel te bewerkstelligen dat de tenuitvoerlegging van de executoriale verkoop wordt geschorst op grond van artikel 438 lid 2 Rv Pro. Nu J. aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat de gemeente misbruik maakt van haar executierecht door de executie doorgang te laten vinden, is de vordering aldus gebaseerd op vermeend onrechtmatig handelen van de gemeente als bedoeld in artikel 6:162 BW Pro. Ingevolge artikel 42 van Pro de Wet RO is de burgerlijke rechter derhalve bevoegd om van de vordering kennis te nemen.
4.3. De gemeente heeft tevens aangevoerd dat J. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering op basis van artikel 438 lid 5 Rv Pro, omdat J. heeft gesteld dat zij geen schuldenaar is maar een derde, zodat zij zowel de executant als de geëxecuteerde, D., had moeten dagvaarden. Dit verweer faalt eveneens. Gezien het feit dat J. in het besluit zelf hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de vordering van de gemeente en haar auto’s uit dien hoofde worden geëxecuteerd, dient zij te worden aangemerkt als de geëxecuteerde en niet als derde. Artikel 438 lid 5 Rv Pro is derhalve niet van toepassing.
4.4. In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een executoriale titel slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de executoriale titel klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na het verkrijgen van deze titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
4.5. Ingevolge artikel 59 WWB Pro is de gemeente gerechtigd een besluit tot terugvordering als het onderhavige te nemen. Een dergelijk besluit levert de gemeente op grond van artikel 60 lid 3 WWB Pro een executoriale titel op in de zin van het tweede boek van Rv. Nu dit besluit vernietigd noch geschorst is, heeft het besluit formele rechtskracht. Dat betekent dat de voorzieningenrechter er vanuit moet gaan dat de inhoud en de wijze van totstandkoming van het besluit in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. In zoverre heeft J. in de onderhavige procedure vergeefs gronden aangevoerd tegen de inhoud van het besluit. Het vaststellen en beoordelen van de feiten is immers voorbehouden aan de bestuursrechter. Gelet op de formele rechtskracht is in ieder geval niet gebleken dat sprake is van een juridische of feitelijke misslag. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat de executoriale verkoop een noodtoestand zal doen ontstaan aan de zijde van J.. Gezien het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de gemeente misbruik maakt van haar bevoegdheid door het ontruimingsvonnis te willen executeren. De vorderingen zullen derhalve worden afgewezen.
4.6. J. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:
- vast recht EUR 248,00
- overige kosten 0,00
- salaris procureur 816,00
Totaal EUR 1.064,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt J. in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op EUR 1.064,00,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Monster en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2006.?