ECLI:NL:RBHAA:2006:AY6398
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst en fictieve opzegtermijn
Eiseres was sinds 1 juni 1981 werkzaam bij haar werkgever en werd in het kader van een reorganisatie tot 1 juli 2005 in een mobiliteitsorganisatie geplaatst. De arbeidsovereenkomst werd door de kantonrechter ontbonden met ingang van 1 juli 2005, waarbij eiseres een ontslagvergoeding werd toegekend. Eiseres vroeg vervolgens een WW-uitkering aan, die tot en met 31 juli 2005 werd geweigerd door verweerder.
Eiseres voerde aan dat haar arbeidsovereenkomst eindigde na de herplaatsingstermijn en dat zij daarom vanaf 1 juli 2005 recht had op WW-uitkering. Tevens stelde zij dat in vergelijkbare gevallen wel per einde herplaatsingstermijn een WW-uitkering werd toegekend, wat volgens haar in strijd was met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank stelde vast dat de vergoeding die eiseres ontving, op grond van de wettelijke bepalingen, moet worden toegerekend aan de periode van 9 april 2005 tot 1 augustus 2005, waardoor een fictieve opzegtermijn ontstaat. Deze termijn vangt aan op de dag na de ontbindingsbeschikking en wordt met één maand verkort vanwege de ontbinding op verzoek van de werkgever. De arbeidsovereenkomst eindigde derhalve formeel per 1 augustus 2005, waardoor de eerste dag van werkloosheid niet eerder dan die datum is.
De rechtbank verwierp het beroep van eiseres en oordeelde dat de weigering van de WW-uitkering tot en met 31 juli 2005 terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de WW-uitkering tot en met 31 juli 2005.