ECLI:NL:RBHAA:2006:AZ0920
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.M. van Kempen
- A.A. Fase
- M.J. Leijdekker
- Rechtspraak.nl
Lening aan stichting kwalificeert niet als ter beschikking stellen van vermogensbestanddeel volgens Wet IB 2001
Eisers, houders van een aanmerkelijk belang in D B.V. en haar dochtermaatschappijen, stelden dat een lening aan Stichting I een indirecte terbeschikkingstelling vormde, waardoor zij een verlies op die lening in mindering wilden brengen op hun belastbaar inkomen uit werk en woning. De lening werd gebruikt als zekerheid voor een krediet aan H B.V., die openstaande facturen van de dochtermaatschappijen betaalde.
De rechtbank beoordeelde de situatie materieel en concludeerde dat er sprake was van twee verschillende economische relaties: de lening aan de stichting en de betaling van facturen door H. De stichting, bank en H fungeerden niet als intermediair of tussengeschakelde derde die het economische belang van eisers zou dragen.
Daarom kwalificeerde de lening niet als ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel in de zin van artikel 3.92 Wet IB 2001. Subsidiaire stellingen van eisers over rekening-courant en informele kapitaalstorting werden niet verder behandeld wegens gebrek aan financieel belang. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat de lening niet kwalificeert als ter beschikking stellen van een vermogensbestanddeel.