1. [eiser] is op 1 december 1987 bij RWE in dienst getreden tegen een salaris van (laatstelijk) € 4.529,54 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.
2. RWE is aangesloten bij de werkgeversvereniging WENb (hierna: WENb).
3. Voorafgaande aan het dienstverband bij RWE is [eiser] vanaf 1 augustus 1967 werkzaam geweest bij het energiebedrijf GEB van de gemeente Amsterdam. De door [eiser] bij GEB opgebouwde anciënniteit is door [eiser] meegenomen naar RWE.
4. Op de arbeidsovereenkomst van [eiser] is de cao Eenergie- en Nutsbedrijven en de cao Distributie (hierna: de cao) van toepassing.
5. Ingevolge artikel 3.4 lid 1 van de cao wordt aan de werknemer bij het bereiken van een diensttijd van achtereenvolgens 10, 20, 30 en 40 jaar een gratificatie van respectievelijk 25%, 100%. 150% en 200% (van het bruto maandloon) toegekend.
6. Artikel 15.4 van de cao bepaalt dat “aan de werknemer die de eerstvolgende jubileumgratificatie ex art. 3.4 niet kan halen als gevolg van ontslag wegens […] vrijwillig vervroegd uittreden” een gratificatie wordt toegekend “naar evenredigheid van het feitelijk aantal dienstjaren”.
7. [eiser] is met ingang van 1 december 2005 vervroegd uitgetreden.
8. [eiser] heeft in december 2005 een ambtsjubileumuitkering ontvangen van € 8.153,17 bruto.
9. In een notitie van 31 januari 2006 heeft de WENb vastgesteld dat voor het berekenen van het evenredig deel van de jubileum gratificatie twee methodes bestaan, te weten:
“1. De sinds de vorige gratificatie verstreken diensttijd wordt gerelateerd aan de diensttijd tussen de vorige gratificatie en het einde van het dienstverband.
2. De totale diensttijd tot het einde van het dienstverband wordt gerelateerd aan de diensttijd waarbij de volgende gratificatie wordt toegekend.”
10. WENb heeft, voor zover van belang, in voornoemde notitie nog het volgende opgemerkt:
“Methode 1 is de juiste methode. […] De periode tot de vorige gratificatie […] is met deze gratificatie afgerekend. Met methode 2 wordt die periode opnieuw betrokken in de berekening en zorgt voor een opwaarts effect.”
11. Bij brief van 2 maart 2006 heeft de gemachtigde van [eiser] bezwaar gemaakt tegen de door RWE gehanteerde berekeningswijze van de jubileumgratificatie. Hij heeft, voor zover van belang, de volgende argumentatie gegeven:
“Bij de uitleg van de CAO bepalingen hecht de rechter strikt aan de grammaticale uitleg van de CAO bepalingen. Indien de bedoeling van CAO partijen […] kenbaar is, uit bijvoorbeeld andere CAO artikelen of een toelichting bij de CAO mag daarop acht worden geslagen. De notitie van de WENB voldoet echter niet aan het kenbaarheidsvereiste omdat deze notitie immers geen deel uitmaakt van de CAO. […]
Cliënt is op 1 augustus 1967 in dienst getreden binnen de energie sector. […] De datum van het 40 jarig ambtsjubileum ligt dus op 1 augustus 2007. […] 40 dienstjaren correspondeert met 480 maanden. Het aantal maanden tot augustus 2007 bedraagt 20 maanden. Een grammaticale uitleg heeft tot gevolg dat er van de 480 maanden 20 maanden moeten worden afgetrokken. De gratificatie dient dan plaats te vinden over 460 maanden gedeeld door 480 maanden vermenigvuldigd met 200%.”
12. Bij brief van 25 april 2006 heeft RWE afwijzend beslist op het bezwaar van [eiser].