ECLI:NL:RBHAA:2007:BB3785
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.G. Kemmers
- R.H.M. Bruin
- J.M. van Kempen
- Rechtspraak.nl
Contante waarde lijfrenteverplichting niet aftrekbaar als schuld in box 3
Eiser heeft voor het jaar 2001 een lijfrenteverplichting jegens een stichting en heeft de contante waarde daarvan als schuld in box 3 in aftrek gebracht. Daarnaast bracht hij de jaarlijkse lijfrentetermijn als persoonsgebonden aftrek in box 1 in mindering. Verweerder accepteerde de schuld in box 3 niet, wat leidde tot een geschil over de toepassing van artikel 2.14 Wet IB 2001.
De rechtbank analyseerde de tekst en parlementaire geschiedenis van artikel 2.14 Wet IB 2001 en concludeerde dat de bepaling niet alleen ziet op de toerekening van voordelen, maar ook op het voorkomen van dubbele heffing van vermogensbestanddelen en de daaraan verbonden schulden. De contante waarde van de lijfrenteverplichting kan niet los worden gezien van de persoonsgebonden aftrek van de lijfrentetermijnen.
Het standpunt van eiser dat de contante waarde als schuld in box 3 mag worden meegenomen, werd verworpen omdat dit zou leiden tot dubbele aftrek. Ook het verweer dat artikel 2.14 niet van toepassing zou zijn bij volgtijdelijke samenloop werd niet gevolgd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskosten af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de aftrek van de contante waarde van de lijfrenteverplichting in box 3 af.