ECLI:NL:PHR:2009:BD9217
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over rangorderegeling en schuld in box 3 bij lijfrenteverplichting en persoonsgebonden aftrek
Belanghebbende had een lijfrente geschonken aan een ANBI in zes jaarlijkse termijnen en bracht deze termijnen als persoonsgebonden aftrek in mindering op zijn inkomen in box 1. Tegelijkertijd nam hij de contante waarde van de lijfrenteverplichting als schuld op in box 3 ter vermindering van de rendementsgrondslag. De Inspecteur weigerde deze schuld in box 3 te erkennen op grond van artikel 2.14 Wet IB 2001, de rangorderegeling die dubbele heffing en aftrek moet voorkomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de rangorderegeling het opnemen van de schuld in box 3 verhindert omdat de persoonsgebonden aftrek reeds in box 1 wordt toegepast. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak.
De advocaat-generaal concludeert dat de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001 niet van toepassing is op de persoonsgebonden aftrek, omdat deze geen inkomen of voordeel vormt maar een boxoverstijgende faciliteit. De contante waarde van de lijfrenteverplichting is een vermogensbestanddeel en mag als schuld in box 3 worden opgenomen. Er is geen sprake van dubbele aftrek omdat de persoonsgebonden aftrek in box 1 betrekking heeft op de daadwerkelijk betaalde termijnen en de schuld in box 3 de toekomstige verplichting weerspiegelt.
De conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken van de rechtbank en Inspecteur, en vermindering van de aanslagen door de rendementsgrondslag in box 3 te verlagen met de contante waarde van de lijfrenteverplichting.
Uitkomst: De contante waarde van de lijfrenteverplichting mag als schuld in box 3 worden opgenomen naast de persoonsgebonden aftrek in box 1 zonder dubbele aftrek.