ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3705
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.M. van Amsterdam
- J.T. Sanders
- A.P.M. van Rijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing afwaardering vordering wegens onvoldoende bewijs van het bestaan van de vordering
Eiseres, een dochtermaatschappij van Y BV, bracht in haar jaarrekening 2004 een afwaardering van € 374.551 op een vordering op Z BV ten laste van het resultaat. Deze vordering zou zijn ontstaan ten tijde van de verkoop van aandelen Z BV door Y aan P Holding BV. Na het faillissement van Z BV werd de vordering als waardeloos beschouwd.
De Belastingdienst stelde een boekenonderzoek in en betwistte het bestaan van de vordering vanwege het ontbreken van onderbouwing, het niet inbrengen van de vordering in het faillissement, en ontkenning door de directeur van Z BV. Eiseres kon ondanks het bezit van relevante stukken geen bewijs leveren van het bestaan en verloop van de vordering.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast voor het bestaan en de omvang van de vordering bij eiseres lag en dat zij niet aan deze last had voldaan. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de afwaardering niet toegestaan.
De rechtbank wees ook het aanbod van verweerder af om de directeur van Z BV onder ede te horen, aangezien zijn schriftelijke verklaring al was overgelegd. Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan op 18 juni 2007 en partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard omdat het bestaan van de vordering niet aannemelijk is gemaakt.