ECLI:NL:RBHAA:2008:BC2902

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
29 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/10032
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15a Wet op de loonbelasting 1964Art. 6 Wet op de loonbelasting 1964Afdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op 30%-regeling voor Nederlandse werknemer bij Franse werkgever

De zaak betreft een Nederlandse werknemer die in dienst is bij een in Frankrijk gevestigde werkgever en beroep doet op de 30%-regeling voor het jaar 2003. De werknemer stelt dat hij recht heeft op deze regeling, die inhoudingsplichtigen toestaat om vergoedingen voor extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot 30% van het loon als vrije vergoeding te behandelen.

De rechtbank stelt vast dat de werkgever van eiser niet voldoet aan de voorwaarden om als inhoudingsplichtige in Nederland te worden aangemerkt, zoals bepaald in artikel 6 van Pro de Wet op de loonbelasting 1964. Hierdoor kan de 30%-regeling niet op eiser worden toegepast. Daarnaast verwerpt de rechtbank het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de situatie van een Nederlandse werknemer bij een buitenlandse werkgever wezenlijk verschilt van die van een werknemer bij een Nederlandse inhoudingsplichtige.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 29 januari 2008 door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Haarlem.

Uitkomst: Het beroep op de 30%-regeling wordt afgewezen omdat de Franse werkgever niet als inhoudingsplichtige in Nederland kwalificeert.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/10032
Uitspraakdatum: 29 januari 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
X,wonende te Y, eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 15 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.966.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2008.
Eiser is, hoewel daartoe behoorlijk uitgenodigd, zonder bericht van afwezigheid niet verschenen. Namens verweerder is verschenen A.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Gronden
1. Eiser is van mening dat hij in aanmerking komt voor de zogenoemde 30 % regeling.
2. Op grond van artikel 15a, eerste lid, letter k van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de wet LB) zijn, onder bepaalde voorwaarden, vergoedingen die een inhoudingsplichtige aan een werknemer verstrekt ter zake van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot ten hoogste 30 % van het loon als vrije vergoeding aan te merken en behoren dan niet tot het loon.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, onderdeel a. van de wet LB is inhoudingsplichtige degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan.
Lid 2 van dit artikel luidt als volgt:
Wie niet in Nederland woont of gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd voor zover hij:
a. in Nederland een vaste inrichting voor de uitoefening van zijn bedrijf, beroep of andere bezigheid
of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft, dan wel
b. in Nederland een of meer personen in dienst heeft, in Nederland de loonadministratie houdt en
zich als zodanig bij de inspecteur heeft gemeld.
3. Vast staat dat eiser in dienstbetrekking staat tot een in Frankrijk gevestigde werkgever die niet
voldoet aan één van de in artikel 6, tweede lid van de wet LB geformuleerde voorwaarden om als inhoudingsplichtige in de zin van de wet LB te kunnen worden aangemerkt.
Nog los van de vraag of eisers werkgever een onder 2. bedoelde kostenvergoeding heeft toegekend aan eiser kan de 30 % regeling reeds op de grond dat eisers werkgever niet kwalificeert als inhoudingsplichtige in de zin van de wet LB geen toepassing vinden.
4. Eiser is voorts van oordeel dat zijn werksituatie is gelijk te stellen met de situatie van een werknemer die bij een inhoudingsplichtige in de zin van de wet LB in dienstbetrekking is.
De rechtbank verwerpt dit beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Voor een succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel zal allereerst sprake moeten zijn van gelijke gevallen.
De heffing van belastingen naar het inkomen in de situatie van een Nederlandse werknemer die bij een Nederlandse inhoudingsplichtige in dienstbetrekking is vertoont dermate grote verschillen met de situatie waarin een Nederlandse werknemer in dienstbetrekking is bij een buitenlandse werkgever dat hier geen sprake is van gelijke gevallen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan mogelijke vrijstelling van premies volksverzekeringen en regelingen ter voorkoming van dubbele belasting die in de eerste situatie niet aan de orde zullen komen.
5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, voorzitter, mr. H.A.M. Röell-Mulder en mr. A. van Dongen rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.