ECLI:NL:RBHAA:2008:BG6109

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
5 december 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/379 R
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d FaillissementswetArt. 350 lid 3 sub a FaillissementswetArt. 350 lid 3 sub b FaillissementswetArt. 350 lid 3 sub d FaillissementswetArt. 3 lid 1 Verordening 1346/2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks eerdere beëindiging binnen tien jaar

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Eerder was deze regeling op 15 april 2005 al op haar van toepassing verklaard, maar op 16 januari 2007 tussentijds beëindigd wegens verwijtbaar gedrag van verzoekster. Het gerechtshof heeft deze beëindiging bevestigd en een faillissement werd uitgesproken, dat later werd opgeheven wegens gebrek aan baten.

Volgens artikel 288 lid 2 sub d van Pro de Faillissementswet wordt een verzoek tot schuldsanering afgewezen indien de regeling minder dan tien jaar geleden van toepassing was, tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen. Verzoekster verklaarde dat haar ex-echtgenoot tijdens de regeling een drankprobleem had en huiselijk geweld pleegde, waardoor zij niet in staat was haar verplichtingen na te komen. Inmiddels is zij gescheiden, heeft zij budgetbeheer en geen nieuwe schulden.

De rechtbank oordeelt dat de redenen voor de eerdere beëindiging vooral te wijten waren aan het gedrag van de ex-echtgenoot en dat verzoekster hierdoor niet in staat was aan haar verplichtingen te voldoen. Daarom acht de rechtbank de toelating tot de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd.

De rechtbank stelt het salaris van de bewindvoerder vast op €40 per maand exclusief btw en geeft last tot het openen van aan verzoekster gerichte post gedurende dertien maanden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart opnieuw de schuldsaneringsregeling van toepassing op verzoekster ondanks eerdere beëindiging binnen tien jaar vanwege bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht, unit insolventies
insolventienummer: 08/379 R
nummer verklaring: HAA0310800609
uitspraakdatum: 5 december 2008
toepassing schuldsanering
[verzoekster], wonende [woonplaats],
verzoekster,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 4 december 2008. Daarbij is verzoekster gehoord.
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Gebleken is dat de rechtbank Haarlem reeds op 15 april 2005 ten aanzien van verzoekster de toepassing van de schuldsaneringregeling heeft uitgesproken. De rechtbank heeft vervolgens bij uitspraak van 16 januari 2007 de regeling tussentijds beëindigd. De rechtbank heeft overwogen dat verzoekster verwijtbaar de uit de voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen. Verzoekster had bovenmatige schulden laten ontstaan, niet aan haar afdrachtverplichting voldaan en de bewindvoerder niet voldoende geïnformeerd. Het Gerechtshof heeft in een arrest van 9 maart 2007 de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Het daaropvolgende van rechtswege uitgesproken faillissement is op 24 april 2007 opgeheven wegens gebrek aan baten.
In een geval als dit bepaalt art 288 lid 2 sub d Faillissementswet Pro dat het verzoek wordt afgewezen, indien de schuldsaneringsregeling minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op rond van artikel 350, derde lid, onder a of b of op grond van artikel 350, derde lid, onder d, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te kennen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij samen met haar toenmalige echtgenoot tot de schuldsaneringsregeling was toegelaten. Haar man had tijdens de schuldsaneringsregeling een drankprobleem. Dit heeft ondermeer tot bovenmatige schulden geleid. Verzoekster had niet de beschikking over het inkomen van haar toenmalige echtgenoot. Zij kon daardoor de vaste lasten niet betalen. Tevens is zij slachtoffer geworden van huiselijk geweld. Deze situatie is toen niet op de beëindigingzitting naar voren gekomen. Inmiddels is de situatie veranderd. Verzoekster is gescheiden. Zij maakt gebruik van budgetbeheer en heeft geen nieuwe schulden meer laten ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat de redenen die destijds bepalend zijn geweest voor het beëindigen van de schuldsaneringsregeling in hoofdzaak hun oorsprong hebben gehad in het gedrag van de ex-echtgenoot. De rechtbank acht aannemelijk dat verzoekster door de (gewelddadige) invloed van haar ex-echtgenoot niet bij machte was om desondanks aan de verplichtingen van de schuldsanering te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank is de regeling van artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro niet voor deze a-typishe situatie bedoeld. De rechtbank acht dan ook toelating van verzoekster tot de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd.
Beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [datum en plaatsnaam],
wonende te [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. P.M.F. Greuter,
en tot bewindvoerder T. van den Brink, gevestigd te Postbus 5563, 2000 GN Haarlem;
- stelt, tenzij zich tijdens de duur van de schuldsaneringsregeling omstandigheden voordoen die tot andere salarisvaststelling nopen, het salaris van de bewindvoerder gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling vast op € 40,00 exclusief omzetbelasting per maand voor iedere maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken (een gedeelte van de maand daaronder begrepen) en brengt dat bedrag ten laste van de schuldenares.
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen gedurende een termijn van dertien maanden.
Gewezen door mr. W.S.J. Thijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.