ECLI:NL:RBHAA:2008:BG6706
Rechtbank Haarlem
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verjaringstermijn van kredietvergoeding bij periodieke betaling en executie
In deze zaak staat de vraag centraal welke verjaringstermijn van toepassing is op een veroordeling tot betaling van een kredietvergoeding per tijdseenheid korter dan een jaar. IDM Finance B.V. had een krediet verstrekt aan eisers, die in gebreke bleven met terugbetaling. IDM verkreeg een verstekvonnis uit 1993 tot betaling van de hoofdsom en kredietvergoeding.
Eisers stelden dat de kredietvergoeding een periodieke vordering is waarop de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:308 BW Pro van toepassing is, waardoor een deel van de rente was verjaard. IDM betwistte dit en stelde dat de twintigjarige termijn van artikel 3:324 lid 1 BW Pro geldt voor de executoriale vordering. De voorzieningenrechter oordeelde dat vanwege de betaling per tijdseenheid korter dan een jaar de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:324 lid 3 BW Pro geldt.
De rechtbank overwoog dat elke maandelijkse rente een afzonderlijke verjaringstermijn kent die wordt gestuit door betekening van het vonnis en erkenning. De verjaring is gestuit tot april 1997, waarna nieuwe termijnen liepen die in 2002 zijn voltooid. Een sommatie in 2007 stuitte de verjaring opnieuw, zodat IDM aanspraak kan maken op rente vanaf 26 februari 2002. Het beslag wordt beperkt tot de hoofdsom, rente vanaf die datum en proceskosten. Andere kosten worden afgewezen. IDM wordt veroordeeld in de proceskosten van het geding.
Uitkomst: Het executoriaal beslag wordt beperkt tot de hoofdsom, rente vanaf 26 februari 2002 en proceskosten; overige vorderingen worden afgewezen.