ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ8349
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke kwalificatie lening tussen moeder en zoon bij fiscaal partnerschap
Eiseres, moeder, en haar zoon voeren een gezamenlijke huishouding en hebben gekozen voor fiscaal partnerschap. Na ontbinding van hun maatschap verstrekte moeder een lening aan zoon voor investeringen in diens onderneming. De lening werd door moeder als vermogen in Box III aangegeven, zonder rente te vergoeden tot 2000.
In 2002 vond overleg plaats met de Belastingdienst over de fiscale kwalificatie van de lening, waarbij werd afgesproken dat de lening in Box III kon worden geplaatst mits een rente tussen 4,5% en 5,5% werd vastgesteld en een aflossingsschema werd gehanteerd. De lening werd echter niet volgens deze voorwaarden afgelost en er waren geen zekerheden gesteld.
De Belastingdienst legde voor 2005 een aanslag op waarbij het belastbaar inkomen uit werk en woning werd verhoogd met €14.153, de rente over de lening, en niet langer als Box III vermogen aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat de lening vanwege het fiscaal partnerschap en het ontbreken van een aflossingsschema en zekerheden terecht in Box I wordt belast. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de belastingheffing van de rente over de lening in Box I.