ECLI:NL:RBHAA:2009:BK4960
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J. Roke
- M.H.L.C. Bijvoet
- E. Polak
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over aansprakelijkheid douaneschuldenaar bij tijdelijke opslag goederen
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de aansprakelijkheid van eiseres als douaneschuldenaar centraal met betrekking tot goederen die zich in tijdelijke opslag op een containerterminal bevonden. De rechtbank stelt vast dat gedurende de periode van tijdelijke opslag de expediteur (eiseres) de goederen niet feitelijk onder zich had en niet zelfstandig kon voldoen aan de verplichtingen jegens de douane, zoals het aanbieden van de goederen op vordering.
De rechtbank baseert haar oordeel op artikel 203, derde lid, vierde gedachtestreepje van het Communautair Douanewetboek (CDW) en het arrest van het Hof van Justitie van 15 september 2005 (United Antwerp Maritime Agencies NV). Hieruit volgt dat alleen de beheerder van de tijdelijke opslag, die feitelijk de goederen onder zich heeft, als douaneschuldenaar kan worden aangemerkt gedurende de tijdelijke opslag.
Verder oordeelt de rechtbank dat vanaf het moment dat de goederen zijn vrijgegeven voor extern communautair douanevervoer, eiseres als aangever niet aansprakelijk is voor een douaneschuld, omdat er geen aanwijzingen zijn dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. De boetebeschikking en uitnodiging tot betaling worden daarom vernietigd en het betaalde griffierecht wordt aan eiseres vergoed.
De rechtbank wijst ook op het ontbreken van bewijs van schuld van eiseres en benadrukt dat de verzegeling ongeschonden was bij controle, wat de stelling van eiseres ondersteunt dat de goederen niet onttrokken zijn aan het douanetoezicht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de boetebeschikking en uitnodiging tot betaling en gelast vergoeding van het griffierecht.