ECLI:NL:RBHAA:2009:BK5399

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
4 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
15-750017-09
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak minderjarige verdachte brandstichting Julianaweg Volendam

Op 11 februari 2009 vond er een brandstichting plaats in een pand aan de Julianaweg 200 te Volendam. Verdachte verbleef die avond samen met twee medeverdachten in het pand. Een van de medeverdachten strooide olie rond en stak een bank in brand met een brandend stuk plastic. Verdachte en een andere medeverdachte verlieten kort de ruimte, maar keerden terug voordat de brand daadwerkelijk ontstond.

De rechtbank oordeelt dat verdachte weliswaar mede een sfeer heeft gecreëerd waarin de brandstichting kon plaatsvinden, maar dat niet bewezen is dat hij zelf handelingen heeft verricht die tot de brand hebben geleid. Ook is geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten bij de brandstichting.

Daarom is het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en volgt vrijspraak. Tevens wordt het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor medegeplegen brandstichting.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector Strafrecht
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/750017-09
Uitspraakdatum: 4 december 2009
Tegenspraak
Strafvonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2009 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres].
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 februari 2009 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht
in een pand (van de Zeilmakerij en Tuigerij Zuiderzee BV) gelegen aan en/of naast een pand waarin het bedrijf KIVO gevestigd was, aan de Julianaweg 200,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk
lampolie over een zitbank gegooid en/of een brandend stuk plastic op die bank gegooid en/of bij die bank gehouden,in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met lampolie en/of een zitbank, althans met (een) brandbare stof(fen),
ten gevolge waarvan die bank en/of het pand aan de Julianaweg 200 geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor het pand gelegen aan de Julianaweg 200 en/of het pand waarin het bedrijf KIVO gevestigd is (gelegen aan de Julianaweg 198-222) en/of een of meer zich in voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) goed(eren) en/of voor een zich in de nabijheid van voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) pand(en)/woning(en)
en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor zich in het
voornoemd(e) pand(en) bevindend(e) perso(o)n(en), althans voor een ander of anderen te duchten was.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verdachte was op 11 februari 2009, aanvankelijk met een grote groep jongeren, aanwezig in een leegstaand pand aan de Julianaweg 200 te Volendam. ’s Avonds heeft een groot deel van de groep het pand verlaten. Vervolgens zijn van de vijf toen nog aanwezige jongens nog twee jongens weggegaan, omdat zij de sfeer niet leuk meer vonden en bang waren dat er iets mis zou gaan. Verdachte is echter samen met twee medeverdachten in het pand gebleven. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft vervolgens de opmerking gemaakt dat, als zij olie zouden rondstrooien, dat goed zou branden. Medeverdachte [medeverdachte 2] had op dat moment al diverse malen gesproken over het in brand steken van het pand of een in het pand aanwezige bank. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft vervolgens olie uit de olielamp op de bank gegooid en een brandend stuk plastic vastgehouden. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zijn daarop de ruimte, waarin zij zich bevonden, uitgegaan, maar kort daarna weer teruggekomen. Op dat moment heeft medeverdachte [medeverdachte 2] het brandende plastic op de bank gegooid als gevolg waarvan er brand is ontstaan in het pand. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder de hiervoor geschetste omstandigheden, zij het in mindere mate dan medeverdachte [medeverdachte 1] die voormelde opmerking heeft geplaatst, mede een sfeer heeft gecreëerd waarin het handelen van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft kunnen gedijen. Dit is verdachte kwalijk te nemen. Desalniettemin kan niet worden geoordeeld dat verdachte bij de handelingen die uiteindelijk tot de brand hebben geleid een zodanige rol heeft vervuld dat kan worden gezegd dat verdachte dit feit heeft gepleegd of medegepleegd. Niet bewezen is dat verdachte zelf handelingen heeft verricht die tot de brand hebben geleid en evenmin is bewezen dat bij de handelingen of gedragingen die wel tot de brand hebben geleid sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten. Daarom dient vrijspraak te volgen.
4. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.E.A. Toeter, voorzitter, tevens kinderrechter,
mrs. T. Avedissian en L.M. Kos, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M. ten Bos,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 december 2009.