ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8136

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
2 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/5130 en AWB 10/493
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WIAArt. 56 WIAArt. 76 WIAArt. 82 WIAArt. 83 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever aansprakelijk voor WIA-uitkering ondanks betwisting recht op uitkering

Een werknemer viel wegens ziekte uit en kreeg een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. De werknemer maakte bezwaar tegen deze toekenning, waarna de uitkering werd aangepast naar minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. De werkgever, die eigen risicodrager is, betwistte de toerekening van de uitkering en stelde dat deze ten onrechte was verleend.

De rechtbank stelde vast dat de uitkering niet was ingetrokken en dat de werknemer recht hield op een WIA-uitkering, ook al was de mate van arbeidsongeschiktheid aangepast. Volgens de wet draagt de werkgever als eigen risicodrager het risico van betaling van de uitkering aan werknemers die tijdens de wachttijd in dienst waren.

De werkgever had geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit tot toekenning van de uitkering, waardoor bezwaar tegen de verhaalsbesluiten niet kon worden gebaseerd op het betwisten van het recht op uitkering. De rechtbank verklaarde de beroepen van de werkgever ongegrond en bevestigde dat het UWV de uitkering terecht op de werkgever heeft verhaald.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep van de werkgever ongegrond en bevestigt dat de WIA-uitkering terecht op de werkgever is verhaald.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 09 - 5130 en 10 - 493 WIA
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2010
in de zaak van:
Bottelier Slooptechniek B.V.,
gevestigd te Haarlem,
eiseres,
gemachtigde: mr. P.J. Reeser, SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,
tegen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
verweerder.
1. Procesverloop
09-5130
Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de uitkering van [belanghebbende] (hierna: betrokkene) ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 25 maart 2008 aan haar wordt toegerekend.
Bij besluit van 9 juli 2009 heeft verweerder de uitkering van betrokkene over de periode 25 maart 2008 tot 1 juli 2009, zijnde een bedrag van € 31.139,53 (netto), op eiseres verhaald.
Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brieven van 30 juli 2009 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 juli 2009 heeft verweerder de uitkering van betrokkene over de periode van 1 juli 2009 tot 31 juli 2009, zijnde een bedrag van € 2.077,66, op eiseres verhaald.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 27 augustus 2009 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft verweerder de uitkering van betrokkene over de periode van 1 augustus 2009 tot 31 augustus 2009, zijnde een bedrag van € 2.077,66, op eiseres verhaald.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 25 augustus 2009 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 24 september 2009 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 oktober 2009 beroep ingesteld.
10-493
Bij besluit van 24 september 2009 heeft verweerder de uitkering van betrokkene over de periode van 1 september 2009 tot en met 30 september 2009 op eiseres verhaald, zijnde een bedrag van € 2.077,66.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 7 oktober 2009 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 4 januari 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 januari 2010 beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 21 mei 2010, alwaar eiseres zich niet heeft doen vertegenwoordigen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.
2. Overwegingen
2.1 Betrokkene was in dienst bij eiseres. Hij is wegens ziekte uitgevallen. Bij besluit van 20 februari 2008 is aan hem een WIA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Hiertegen heeft betrokkene bezwaar gemaakt, dat bij besluit van 10 september 2008 ongegrond is verklaard, met de aantekening dat betrokkene niet tekort is gedaan, omdat zijn beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts als minder (ernstig) werden beoordeeld. Daartegen is door betrokkene beroep (bij de rechtbank Amsterdam) ingesteld.
2.2 Bij besluit van 24 november 2008 heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen, inhoudend dat op grond van de door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste FML (die ook al gold voor de datum einde wachttijd) de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Op grond van artikel 56, tweede lid, WIA eindigt de WGA-uitkering eerst bij het eindigen van de loongerelateerde uitkering (LGU).
2.3 Het bestreden besluit berust op het standpunt dat de toerekening van de WGA-uitkering van betrokkene aan eiseres terecht is. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat niet is beslist dat betrokkene geen recht op een WGA-uitkering had, maar dat ingevolge artikel 56 WIA Pro de WGA eindigt wanneer de LGU eindigt (dat is uiterlijk 25 maart 2011).
2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de wet onjuist toepast. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat in rechte bepaald is dat betrokkene van begin af aan geen recht had op een WGA-uitkering, reden waarom artikel 54 WIA Pro toegepast zou dienen te worden in plaats van artikel 56, tweede lid, WIA.
2.5 De rechtbank overweegt als volgt.
2.6 De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 24 november 2008 niet is bepaald dat de uitkering van betrokkene wordt ingetrokken. Voor het intrekken van het besluit tot toekenning bestond ook geen aanleiding, gelet op de formulering van artikel 76 WIA Pro en de vaste jurisprudentie inzake rechtszekerheid. Het standpunt van eiseres dat ‘in rechte is bepaald’ dat er geen recht op WGA bestond berust dan ook niet op een juiste lezing van het besluit.
2.7 Uit het voorgaande volgt dat betrokkene recht heeft gehouden op een WGA-uitkering.
2.8 Op grond van artikel 82, eerste lid, WIA draagt eiseres als eigenrisicodrager het risico van de betaling van die uitkering aan de verzekerde die op de eerste dag van de bij die uitkering in acht genomen wachttijd tot de eigenrisicodrager in dienstbetrekking stond. Niet betwist is dat betrokkene in dienstbetrekking stond tot eiseres op het moment dat hij arbeidsongeschikt raakte. Daaruit volgt dat eiseres als eigen risicodrager aansprakelijk is voor betaling van de uitkering van betrokkene.
2.9 Ingevolge het derde lid van artikel 83 WIA Pro verhaalt het UWV de uitkering op de eigenrisicodrager indien deze eigenrisicodrager de uitkering niet betaalt. Verweerder heeft de aan betrokkene uitbetaalde uitkering dan ook op goede gronden op eiseres verhaald.
2.10 De rechtbank merkt nog op dat indien eiseres zich niet in het besluit tot toekenning van een WGA-uitkering aan betrokkene kon vinden, zij daartegen bezwaar had kunnen indienen. Vaststaat echter dat eiseres geen rechtsmiddel tegen dat besluit heeft aangewend. Hierdoor zijn de artikelen 117 WIA en 86, tweede lid, WIA niet van toepassing. Op grond van artikel 115 WIA Pro kan tegen de bestreden besluiten niet als beroepsgrond worden aangevoerd dat de uitkering van betrokkene ten onrechte is vastgesteld.
2.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de besluiten op goede gronden berusten. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. M. Mateman en A.T.B. de Vries, rechters, en op 2 juli 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.