ECLI:NL:RBHAA:2010:BP1998
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortbestaan en opzegbaarheid recht van erfpacht na brand en sloop pakhuis
De zaak betreft een geschil over het voortbestaan van een recht van erfpacht dat in 1847 werd gevestigd ten behoeve van een pakhuis. Dit pakhuis is in 1980 door brand getroffen en in 1997 gesloopt. De vraag was of deze gebeurtenissen als een 'daad van sloping' in de vestigingsakte gelden, waardoor het recht van erfpacht zou zijn geëindigd.
De rechtbank overweegt dat, ook als de brand en sloop als daad van sloping worden beschouwd, het recht van erfpacht volgens artikel 5:98 BW Pro blijft doorlopen totdat het door de eigenaar wordt opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar. De stelling dat artikel 5:98 BW Pro alleen geldt voor erfpacht voor bepaalde tijd wordt verworpen. Indien de brand en sloop niet als daad van sloping gelden, kan het recht eveneens worden opgezegd met een opzegtermijn van een jaar op grond van overgangsrecht.
De rechtbank wijst de vorderingen van Schiethaven af die stelden dat het recht van erfpacht van rechtswege was geëindigd en dat er sprake was van non-conforme levering. Ook de vorderingen jegens de notaris en het Hoogheemraadschap worden afgewezen. De rechtbank verklaart voor recht dat het recht van erfpacht kan worden opgezegd met inachtneming van de wettelijke termijn en veroordeelt Schiethaven in de proceskosten.
Uitkomst: Het recht van erfpacht blijft bestaan en kan door de eigenaar worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een jaar; de vorderingen van Schiethaven worden afgewezen.