ECLI:NL:RBHAA:2011:BT1890

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
16 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 11 - 4217
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 WroArt. 6:10 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 13 Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek om voorlopige voorziening tegen aanwijzing bestemmingsplan

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Zij richten zich niet tegen de aanwijzing zelf, maar tegen de vermeende weigering van ontheffing op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het aanwijzingsbesluit geen expliciet besluit tot weigering van ontheffing bevat. Verweerder heeft aangegeven dat nog geen definitieve beslissing is genomen op het ontheffingsverzoek en dat de reactie van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna nog wordt betrokken in de besluitvorming.

Daarom is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk en ontbreekt de vereiste processuele connexiteit voor het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding het verzoek door te sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen besluit tot weigering ontheffing is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 11 - 4217
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 augustus 2011
in de zaak van:
1) het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna,
gevestigd te Anna Paulowna,
2) Par 2 Ontwikeling C.V.,
gevestigd te Scharwoude,
3) De Peyler Projectontwikkeling B.V.,
gevestigd te Scharwoude,
4) Grontmij Nederland Projecten B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen: verzoekers,
gemachtigde: mr. J.F. de Groot, advocaat te Amsterdam,
tegen:
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2011, verzonden op 18 mei 2011, heeft verweerder beslist om op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de aanwijzing te geven dat het bestemmingsplan De Hoop fase 5 en 6 en sportvelden niet in stand blijft voor wat betreft de onderdelen:
Planregels:
- artikel 3 Maatschappelijk Pro
- artikel 10 Woongebied Pro Uit te Werken
Verbeelding:
- Plandelen met bestemming M en WG-U.
Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 29 juni 2011 bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 juli 2011 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder voorafgaande behandeling ter zitting en overweegt hiertoe het volgende.
Verzoekers stellen dat het bezwaarschrift van 29 juni 2011 en het verzoekschrift van 6 juli 2011, aangevuld bij brief van 12 juli 2011, zich niet richten tegen de aanwijzing ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro van 17 mei 2011 als zodanig, maar tegen de daarin volgens verzoekers tevens opgenomen weigering om ontheffing op grond van artikel 13 van Pro de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie voor het bestemmingsplan De Hoop fase 5 en 6 en sportvelden te verlenen. In de aanwijzing is een inhoudelijke onderbouwing opgenomen die grotendeels overeenstemt met verweerders concept weigering om ontheffing te verlenen van 19 april 2011. Verzoekers doen in dit verband een beroep op artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.
Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat het geenszins de bedoeling is geweest om met het Aanwijzingsbesluit tevens te beslissen op het ontheffingsverzoek. Bij de afgifte van de conceptweigering om ontheffing te verlenen is aan het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna gevraagd een reactie te geven. De op 9 mei 2011 gegeven reactie op het concept van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna zal worden betrokken in de uiteindelijke besluitvorming inzake de ontheffing. Artikel 6:10 van Pro de Awb is niet van toepassing, aldus verweerder.
Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond van daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. wel reeds tot stand was gekomen, of
b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
Verzoekers hebben aangegeven dat verweerder met het geven van de aanwijzing in feite ook heeft geweigerd ontheffing te verlenen. Als verweerder immers ontheffing zou willen verlenen, is er geen reden voor het geven van een aanwijzing. Bovendien berust de aanwijzing op de toepassing van beoordelingscriteria die ook bij het beslissen over het verlenen van een ontheffing een rol spelen.
Verweerder heeft aan het geven van de aanwijzing in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat het bestemmingsplan is vastgesteld zonder dat een ontheffing is verleend, aangezien verweerder nog niet heeft beslist op de aanvraag om ontheffing door verzoeker 1. De voorzieningenrechter concludeert hieruit dat in het besluit van 17 mei 2011 geen expliciet besluit tot weigering van ontheffing besloten ligt.
De stelling van verzoekers dat verweerder na het geven van de aanwijzing niet anders meer kan beslissen dan de ontheffing te weigeren, is, zelfs als dit juist zou zijn, onvoldoende om te concluderen dat verweerder al een besluit op het ontheffingsverzoek heeft genomen. Daaraan staat in de weg dat verweerder zelf, zowel in het besluit van 17 mei 2011 als in het verweerschrift heeft aangegeven nog een beslissing te gaan nemen op het ontheffingsverzoek.
Voor zover verzoekers bedoeld hebben aan te voeren dat zij redelijkerwijs hebben kunnen menen dat een besluit tot weigering van ontheffing ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift reeds tot stand is gekomen kan deze grond niet slagen. Nu het concept van 19 april 2011 duidelijk kenbaar een concept beslissing betreft, de reactie hierop van het college van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 9 mei 2011 door verweerder zal worden betrokken in de definitieve besluitvorming en dit ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift nog niet was geschied hebben verzoekers niet redelijkerwijs kunnen menen dat reeds een definitief besluit omtrent de ontheffing was genomen.
Gelet op voorgaande is de voorzieningrechter van oordeel dat het bezwaarschrift van 29 juni 2011 niet ontvankelijk zal moeten worden verklaard. Nu er geen ontvankelijk bezwaar is ingediend concludeert de voorzieningenrechter dat onderhavig verzoek niet voldoet aan het in artikel 8:81 van Pro de Awb neergelegde vereiste van processuele connexiteit.
Gelet hierop is het verzoek om voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk.
Nu verzoekers in de brief van 12 juli 2011 uitdrukkelijk hebben aangegeven dat het bij brief van 29 juni 2011 ingediende bezwaarschrift en het hiermee samenhangende verzoek om voorlopige voorziening van 6 juli 2011 niet zijn gericht tegen de aanwijzing op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het verzoek voor verdere behandeling door te sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
2. Beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, en op 16 augustus 2011 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier.
afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.