ECLI:NL:RBHAA:2012:BV8734

Rechtbank Haarlem

Datum uitspraak
22 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
180168 - HA ZA 11-463
Instantie
Rechtbank Haarlem
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:35 BWArt. 3:61 lid 2 BWArt. 3:69 lid 1 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen na bekrachtiging door voetbalvereniging Young Boys

Inpromo B.V. vordert betaling van openstaande facturen voor promotiematerialen geleverd aan de voetbalvereniging Young Boys. [Gedaagde sub 2] plaatste namens Young Boys opdrachten, maar bleek onbevoegd te zijn. Young Boys betwistte de bevoegdheid van [gedaagde sub 2] en stelde dat zij niet gebonden was aan de overeenkomsten.

De rechtbank overweegt dat Young Boys de geleverde goederen, bedrukt met haar naam en logo, heeft ontvangen en in gebruik genomen. Ondanks interne misverstanden over betaling, heeft Young Boys de facturen niet direct betwist en zelfs gedeeltelijk betaald, waarmee zij de rechtshandelingen van [gedaagde sub 2] heeft bekrachtigd. Hierdoor is Young Boys gebonden aan de overeenkomsten en gehouden tot betaling.

De vordering tegen [gedaagde sub 2] wordt afgewezen, omdat Young Boys als partij wordt beschouwd. Young Boys wordt veroordeeld tot betaling van € 18.843,96 plus rente en proceskosten. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige vorderingen af.

Uitkomst: Young Boys wordt veroordeeld tot betaling van € 18.843,96 plus rente en proceskosten wegens bekrachtiging van onbevoegde vertegenwoordiging.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 180168 / HA ZA 11-463
Vonnis van 22 februari 2012
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INPROMO B.V.,
gevestigd te Haarlem,
eiseres,
advocaat mr. F.W. Huizinga,
tegen
1. vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
V.V. YOUNG BOYS,
gevestigd te Haarlem,
gedaagde,
advocaat mr. L.A.L. Westerwoudt,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats], [gemeente],
gedaagde,
advocaat mr. P.R. Rojer.
Partijen zullen hierna Inpromo, Young Boys en [gedaagde sub 2] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 augustus 2011;
- het proces-verbaal van comparitie van 2 november 2011.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [Gedaagde sub 2] heeft bij Inpromo diverse opdrachten geplaatst voor het ontwerpen en vervaardigen van promotiemateriaal, waaronder vlaggen, palen, reclameborden, hesjes en spandoeken, welk materiaal ten dele door Inpromo is voorzien van een logo van Young Boys.
2.2. Inpromo heeft ter zake van deze bestellingen in de periode van 27 augustus 2010 tot en met 19 oktober 2010 diverse facturen gestuurd tot een bedrag van in totaal € 21.011,26. Deze facturen zijn gericht aan "V.V. Young Boys [gedaagde sub 2]" en verzonden naar het adres van Young Boys.
2.3. De bestelde goederen zijn in augustus/september 2010 (kort voor de start van het competitieseizoen) bij Young Boys afgeleverd en door Young Boys in gebruik genomen.
2.4. Bij e-mail van 16 december 2010 heeft [A] (hierna: [A]), statutair bestuurslid van Young Boys, aan Inpromo onder meer het volgende bericht:
"U heeft een afspraak met de heer [gedaagde sub 2] en u zult als bedrijf het met hem moeten oplossen, wij kunnen hierin geen partij zijn. Wat ons betreft mag u alle geleverde spullen retour nemen want wij zijn nogmaals geen partij. Om nogmaals duidelijkheid te verschaffen, wij kennen inpromo niet, we doen geen zaken met hun en willen dit ook niet."
2.5. Young Boys heeft op 29 januari 2011 een bedrag van € 916,30 en op 15 maart 2011 een bedrag van € 2.155,00 betaald aan Inpromo.
3. Het geschil
3.1. Inpromo vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van Young Boys en [gedaagde sub 2] tot betaling van € 19.097,96, vermeerderd met rente en kosten.
3.2. Young Boys en [gedaagde sub 2] voeren verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Inpromo vordert betaling van de openstaande facturen en stelt daartoe dat zij in de veronderstelling verkeerde dat [gedaagde sub 2] bevoegd was om namens Young Boys opdrachten te verlenen. Nu [gedaagde sub 2] geen bestuurslid van Young Boys bleek te zijn, stelt Inpromo zich met een beroep op het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW Pro primair op het standpunt dat Young Boys geen beroep kan doen op de onbevoegdheid van [gedaagde sub 2], nu de schijn is gewekt dat [gedaagde sub 2] namens Young Boys handelde. Er zijn dan ook overeenkomsten tussen Inpromo en Young Boys tot stand gekomen. Young Boys heeft de prestaties van Inpromo ook geaccepteerd en gedeeltelijk betaald.
Subsidiair stelt Inpromo dat [gedaagde sub 2], nu hij de feitelijke opdrachtgever was en onbevoegd was om de opdrachten namens Young Boys te verlenen, zelf partij is geworden bij de overeenkomsten en dat hij derhalve aansprakelijk is voor de nakoming daarvan.
4.2. Young Boys voert ten verwere aan dat [gedaagde sub 2] niet bevoegd was om haar te vertegenwoordigen, dat Inpromo dat had kunnen weten wanneer zij het handelsregister bij de Kamer van Koophandel had geraadpleegd, dat zij tegenover Inpromo niet de schijn heeft gewekt dat [gedaagde sub 2] namens haar opdrachten mocht verstrekken en dat zij de overeenkomsten evenmin heeft bekrachtigd. Young Boys is derhalve geen partij bij de overeenkomsten, zodat zij niet gehouden is tot betaling, aldus Young Boys.
4.3. [Gedaagde sub 2] voert als verweer in de eerste plaats dat hij geen overeenkomsten is aangegaan voor zichzelf. [Gedaagde sub 2] heeft steeds met instemming van Young Boys en ten behoeve van Young Boys de opdrachten aan Inpromo heeft verstrekt. Young Boys heeft de geleverde materialen ook afgenomen en daarvoor twee betalingen gedaan. Wanneer zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] geen volmacht had om namens Young Boys op te treden, dan geldt dat Young Boys met deze afname en betalingen de onbevoegde rechtshandelingen heeft bekrachtigd. Ook in dat geval is Young Boys partij (geworden) bij de overeenkomsten en is zij gehouden de facturen te betalen, aldus [gedaagde sub 2].
4.4. Young Boys en [gedaagde sub 2] verschillen van mening over de vraag of [gedaagde sub 2] bij het plaatsen van de opdrachten bij Inpromo met volmacht van Young Boys handelde. Beide nemen op dit punt gemotiveerde stellingen in. De vraag wie op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft, kan in het kader van deze procedure echter in het midden blijven. Ook wanneer de rechtbank er (veronderstellenderwijs) vanuit gaat dat [gedaagde sub 2] Young Boys onbevoegd heeft vertegenwoordigd, is Young Boys naar het oordeel van de rechtbank namelijk gehouden het openstaande factuurbedrag aan Inpromo te betalen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.5. Wanneer iemand zonder daartoe bevoegd te zijn als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld, kan laatstgenoemde de rechtshandeling bekrachtigen en haar daardoor hetzelfde rechtsgevolg verschaffen, als zou zijn ingetreden wanneer zij krachtens een volmacht was verricht (artikel 3:69, eerste lid, BW). Bekrachtiging kan schriftelijk of mondeling gebeuren. Bekrachtiging kan ook stilzwijgend plaatsvinden of besloten liggen in gedragingen van de vertegenwoordigde. Op grond van het bepaalde in artikel 3:35 BW Pro is de vertegenwoordigde gebonden, indien de wederpartij zijn verklaring of gedraging heeft opgevat en redelijkerwijs kon opvatten als bekrachtiging, ook indien de vertegenwoordigde aannemelijk kan maken dat hij niet bedoeld heeft te bekrachtigen.
4.6. De rechtbank stelt vast dat de door Inpromo geleverde goederen grotendeels naar hun aard (reclameborden en dergelijke) en naar hun uitvoering (bedrukt met de naam en/of een logo van Young Boys) waren bestemd om te worden gebruikt door Young Boys als voetbalvereniging. Voorts staat als onvoldoende weersproken vast dat Young Boys de door Inpromo geleverde goederen heeft behouden en in gebruik heeft genomen. Door [A] is ter comparitie in dit verband verklaard dat Young Boys bij de aflevering van de goederen - naar achteraf bleek ten onrechte - in de veronderstelling verkeerde dat deze goederen niet uit de clubkas, maar uit sponsorgelden, zouden worden betaald. Er was voor haar ten tijde van de aflevering dan ook geen reden om de geleverde goederen niet in gebruik te nemen, aldus [A]. Deze onjuiste veronderstelling regardeert echter Inpromo niet, nu dit uitsluitend een (interne) kwestie binnen Young Boys betreft.
Verder staat vast dat Young Boys niet kort na de aflevering van de goederen noch direct na ontvangst van de aan haar adres gestuurde facturen aan Inpromo heeft laten weten zich niet gebonden te achten. Door dit na te laten heeft Young Boys in het licht van genoemde omstandigheden, naar het oordeel van de rechtbank de door [gedaagde sub 2] met Inpromo gesloten overeenkomsten bekrachtigd, althans heeft zij in ieder geval tegenover Inpromo de schijn gewekt deze te bekrachtigen. Dat Young Boys in december 2010 Inpromo alsnog heeft verzocht om geleverde materialen retour te nemen, doet hieraan niet af, nu zij dit na de (schijn van) bekrachtiging heeft gedaan. Tot slot staat vast dat Young Boys na december 2010 een tweetal betalingen op de facturen heeft verricht, hetgeen de (schijn van) bekrachtiging door Young Boys juist bevestigt.
4.7. De hiervoor vastgestelde (schijn van) bekrachtiging heeft tot gevolg dat Young Boys van meet af aan als wederpartij van Inpromo moet worden beschouwd. Dat leidt ertoe dat Young Boys gehouden is de openstaande facturen aan Inpromo te voldoen en dat op [gedaagde sub 2] geen betalingsverplichting ter zake rust. Voor de gevorderde hoofdelijke veroordeling van Young Boys c.s. is daarom geen plaats. De vordering in hoofdsom zal dan ook uitsluitend worden toegewezen jegens Young Boys.
4.8. Nu niet (voldoende onderbouwd) gesteld is dat ten behoeve van Inpromo werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voor-werk II, zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden slechts worden toegewezen tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van 15% van de hoofdsom en de tot de dagvaarding verschenen rente, zijnde € 904,00.
4.9. Young Boys zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Inpromo worden begroot op:
- dagvaarding € 76,31
- griffierecht 1.181,00
- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)
Totaal € 2.161,31
4.10. Nu de vordering jegens [gedaagde sub 2] wordt afgewezen, zal Inpromo als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde sub 2] worden veroordeeld, welke kosten worden begroot op:
- griffierecht € 1.181,00
- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)
Totaal € 2.085,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. veroordeelt Young Boys om aan Inpromo te betalen een bedrag van € 18.843,96 (achttienduizendachthonderddrieënveertig euro en zesennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het bedrag van € 17.939,96 met ingang van 25 maart 2011 tot de dag van volledige betaling,
5.2. veroordeelt Young Boys in de proceskosten, aan de zijde van Inpromo tot op heden begroot op € 2.161,31,
5.3. veroordeelt Young Boys in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Young Boys niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5. wijst af het meer of anders van Young Boys gevorderde,
5.6. wijst de vordering op [gedaagde sub 2] af,
5.7. veroordeelt Inpromo in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 2.085,00,
5.8. verklaart de veroordeling onder 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.?