ECLI:NL:RBLEE:2000:AA5157
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid werkgever bij bezwaar tegen WAO-besluit werknemer
De zaak betreft een geschil tussen een werkgever en het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) over de mate van arbeidsongeschiktheid van een werknemer en de gevolgen daarvan voor de WAO-uitkering. De werkgever had bezwaar gemaakt tegen een besluit waarbij de WAO-uitkering van haar werknemer was herzien van 80-100% naar 45-55% arbeidsongeschiktheid. Zowel de werknemer als de werkgever hadden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank onderzocht of de werkgever als belanghebbende kon worden aangemerkt bij het WAO-besluit. Uit de wet Pemba volgt dat het belanghebbende-begrip van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt, waarbij een eigenrisicodragende werkgever (ERD) wel belanghebbende is, maar een niet-ERD-werkgever in beginsel niet. De werkgever in deze zaak was een niet-ERD-werkgever, en haar belang bij het besluit was indirect en niet concreet genoeg, omdat de financiële gevolgen pas later via de premieberekening zouden doorwerken.
De rechtbank oordeelde dat het belang van de werkgever voortkomt uit de arbeidsverhouding met de werknemer en niet rechtstreeks uit het WAO-besluit. Daarom was de werkgever geen belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb Pro en had het Lisv het bezwaar van de werkgever niet-ontvankelijk moeten verklaren. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het op de werkgever betrekking had en verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk. Tevens werd het griffierecht aan de werkgever vergoed.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het bezwaar van de werkgever niet-ontvankelijk omdat zij geen belanghebbende is bij het WAO-besluit.