ECLI:NL:RBLEE:2002:AE0652
Rechtbank Leeuwarden
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen nevenvestiging hoger hotelonderwijs in Amsterdam
De Stichting Christelijke Hogeschool Noord-Nederland (CHN) verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 31 mei 2001. Dit besluit keurde de start van een nevenvestiging van de Hotelschool Den Haag (HDH) in Amsterdam goed op grond van artikel 7.17 lid 2 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
CHN vreesde dat de nevenvestiging nadelige gevolgen zou hebben voor de studenteninstroom van hun opleiding hoger hotelonderwijs. Tijdens de zitting op 8 maart 2002 werd echter vastgesteld dat voor het komende studiejaar het maximaal overeengekomen aantal studenten van 300 bij CHN zeker geplaatst kan worden, mede door een structureel hoger aantal aanmeldingen dan beschikbare plaatsen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om schorsing meer was ingegeven door de vrees dat de rechter in de hoofdzaak beïnvloed zou worden door het feit dat de nevenvestiging al gerealiseerd was. Omdat de nadelige gevolgen zich niet voor het komende studiejaar manifesteren en de realisatie van de vestiging voor eigen risico van HDH is zolang geen onherroepelijke uitspraak is gedaan, was er onvoldoende spoedeisend belang om schorsing toe te staan.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en veroordeelde geen partij in de proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit tot goedkeuring van de nevenvestiging van de Hotelschool Den Haag in Amsterdam is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.