ECLI:NL:RBLEE:2002:AE6369
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.T. Vos
- C.M. Telman
- M.R. Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens vermeende tekortkoming bij IBR-entingen door dierenartsenpraktijk
Eisers, bestaande uit een maatschap en twee vennoten, vorderden dat de dierenartsenpraktijk aansprakelijk werd gesteld voor vermeende tekortkomingen bij het uitvoeren van verplichte IBR-entingen op hun rundvee in april en december 1998. Zij stelden dat levende entstof zonder overleg was gebruikt, dat drachtige koeien niet intranasaal waren gevaccineerd, dat geen klinisch onderzoek had plaatsgevonden en dat één naald voor meerdere dieren was gebruikt.
De rechtbank oordeelde dat eiseres sub 1 niet-ontvankelijk was wegens het ontbreken van een kenbare naamvoering van de maatschap en dat eisers sub 2 en 3 niet-ontvankelijk waren voor zover hun vorderingen gericht waren tegen individuele gedaagden. De rechtbank ging inhoudelijk in op de verwijten en concludeerde dat het gebruik van levende entstof volgens de geldende richtlijnen en praktijk gebruikelijk en verantwoord was. Ook de wijze van vaccinatie, het ontbreken van een klinisch onderzoek vooraf en het gebruik van één naald per epidemiologische eenheid waren niet in strijd met de regels of de professionele standaard.
De rechtbank nam de verklaringen van een getuige-deskundige van de Gezondheidsdienst voor Dieren en een uitspraak van het Veterinair Tuchtcollege mee in haar beoordeling. Eisers hadden onvoldoende onderbouwd dat de dierenartsen onzorgvuldig of onrechtmatig hadden gehandeld. De vordering werd daarom afgewezen en eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af wegens onvoldoende bewijs van tekortkoming of onrechtmatig handelen door de dierenartsenpraktijk.