ECLI:NL:RBLEE:2002:AE7938
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergunning Wet opsporing delfstoffen in relatie tot habitattoets en PKB-Waddenzee
De zaak betreft een geschil over de vergunning verleend aan de NAM voor boringen in een gebied in Noord-Holland, inclusief de Noordzeekustzone en de Noorderhaaks, gebieden met belangrijke natuurwaarden die onderdeel zijn van de Waddenzee. De Waddenvereniging betoogde dat de vergunning gedeeltelijk had moeten worden geweigerd vanwege onvoldoende toepassing van de habitattoets en de externe werking van de PKB-Waddenzee.
De rechtbank overwoog dat de habitattoets, voortvloeiend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, weliswaar niet volledig in de Wet opsporing delfstoffen (Wod) was geïmplementeerd, maar dat de vergunningverlening via locatiebesluiten en aanvullende Nb-wet vergunningen de beschermende werking waarborgt. Elke proefboring binnen het vergunninggebied vereist een locatiebesluit met passende beoordeling, waardoor significante milieueffecten adequaat kunnen worden beoordeeld.
Verder oordeelde de rechtbank dat de externe werking van de PKB-Waddenzee meegewogen moet worden, maar dat dit niet leidt tot een beperking van het vergunninggebied. De vergunning is in overeenstemming met de Wod en de Regeling vergunningen en concessies delfstoffen Nederlands territoir 1996. De Waddenvereniging kon geen gegronde weigeringsgrond aanvoeren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de Waddenvereniging wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor boringen blijft ongewijzigd van kracht.