ECLI:NL:RBLEE:2006:AY7868

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
21 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/1693
Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.4.1 APVArt. 2.2.2 lid 2 sub a en c APVArt. 6:13 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:70 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering evenementenvergunning voor oefenwedstrijd

Stichting Sport Promotie Franeker vroeg een evenementenvergunning aan voor een oefenwedstrijd tussen SC Cambuur en FC Utrecht op 2 augustus 2005. De burgemeester van Franekeradeel weigerde de vergunning op grond van de openbare orde en veiligheid.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de datum van het evenement al was verstreken en de eiseres geen feitelijk belang meer had bij het verkrijgen van de vergunning. Hoewel eiseres een principiële uitspraak wilde vanwege het jaarlijks terugkerende karakter van het evenement, is dit geen grond voor rechterlijke uitspraak zonder concreet geschil.

Verder stelde de rechtbank vast dat eiseres onvoldoende bewijs leverde van geleden schade door de weigering. Gezien deze omstandigheden kon het beroep niet worden ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de evenementenvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en onvoldoende bewijs van schade.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
Uitspraak ex artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr.: 05/1693
Inzake het geding tussen
Stichting Sport Promotie Franeker, gevestigd te Franeker, eiseres,
gemachtigde: mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden,
en
de burgemeester van Franekeradeel, verweerder,
gemachtigde: F.A. Bolhuis, werkzaam bij de gemeente Franekeradeel.
Procesverloop
Bij brief van 7 september 2005 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 31 augustus 2005 betreffende de toepassing van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Franekeradeel, hierna het bestreden besluit.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 21 juni 2006. Eiseres is verschenen bij haar voorzitter [naam], bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij bovengenoemde gemachtigde.
Motivering
Eiseres heeft op 26 april 2005 aan verweerder op grond van art. 2.1.4.1 van de APV een evenementenvergunning gevraagd voor het organiseren van een oefenwedstrijd tussen de betaald voetbal organisaties (bvo) SC Cambuur Leeuwarden (hierna: Cambuur) en FC Utrecht op dinsdag 2 augustus 2005 op het sportpark van amateurvoetbalvereniging SC Franeker.
Verweerder heeft het verzoek opgevat als een verzoek om een vergunning als bedoeld in art. 2.2.2. van de APV en heeft bij besluit van 28 juni 2005 de gevraagde vergunning op grond van informatie van de politie Fryslân geweigerd in het belang van de openbare orde en de veiligheid van personen en goederen, als bedoeld in art. 2.2.2. lid 2 sub a en c van de APV.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het tegen dit besluit gerichte bezwaar van 7 juli 2005, overeenkomstig het advies van de commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van verweerders gemeente, ongegrond verklaard.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat van de aanwezigheid van (voldoende) processueel belang dient te worden uitgegaan als het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren van dat resultaat voor betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
De rechtbank stelt vast dat de datum waarop de oefenwedstrijd had moeten plaatsvinden reeds ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was verstreken. Gelet hierop kan eiseres met haar beroep niet meer bereiken dat de wedstrijd op de gewenste datum zal worden gespeeld.
Desgevraagd heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij met het instellen van het beroep beoogt van de rechtbank een principiële uitspraak te verkrijgen, nu het een jaarlijks terugkerend evenement betreft. Voorts heeft eiseres aangegeven dat zij schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit.
De rechtbank is van oordeel dat van de rechter geen uitspraak kan worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de administratieve rechter geroepen tot het beantwoorden van rechtsvragen indien sprake is van een geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Indien het geschil niet (langer) bestaat kan van de rechter geen uitspraak worden verwacht uitsluitend met het oog op de principiële betekenis ervan. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat er een te verwaarlozen kans bestaat dat een soortgelijk besluit wederom tot een geschil zal kunnen leiden tussen partijen, nu -anders dan in voorgaande jaren- thans vooraf met verweerder wordt overlegd over een mogelijke tegenstander van Cambuur. Dit overleg heeft er voor 2006 toe geleid dat verweerder, na advisering door de politie, vergunning heeft verleend voor een oefenwedstrijd tussen Cambuur en de bvo RKC Waalwijk.
De rechtbank overweegt voorts dat in de stelling van eiseres dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming dit belang op zichzelf wel kan worden gevonden. Daartoe is echter vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden. Eiseres heeft evenwel geen begin van bewijs aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat zij tengevolge van de geweigerde evenementenvergunning daadwerkelijk schade heeft geleden.
Gelet op het vorenstaande kan eiseres niet in haar beroep worden ontvangen.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. Y. Huizing, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2006, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.
w.g. J.R. Leegsma
w.g. Y. Huizing
Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto Pro 6:24 Awb.
Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Postbus 20019
2500 EA Den Haag
In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.
Afschrift verzonden op: