ECLI:NL:RBLEE:2006:AY8655
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en schadeverdeling na verkeersongeval tussen motorrijder en fietser
Na een verkeersongeval tussen een motorrijder en een fietser vorderen partijen wederzijds schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de fietser op de verkeerde weghelft reed, wat haar verkeersfout is, maar ook de motorrijder onvoldoende oplettend was. Hierdoor dragen beiden gelijke mate bij aan de schade.
De motorrijder slaagt er niet in te bewijzen dat de fietser plotseling zonder waarschuwing stuurde, waardoor een deel van zijn schade voor eigen rekening blijft. De rechtbank weegt het zogenaamde Betriebsgefahr niet zwaarder tegen de motorrijder omdat dit de fietser juist beschermt.
De billijkheidscorrectie houdt rekening met of de fietser haar hand uitstak bij het afslaan en de verzekeringsstatus van partijen. Omdat de motorrijder verzekerd is en de fietser niet, moet de motorrijder de schade van de fietser volledig vergoeden. De rechtbank wijst diverse schadeposten toe, waaronder zaakschade, ziekenhuis- en revalidatiekosten en immateriële schade, maar wijst tandartskosten af wegens onvoldoende onderbouwing.
De bewijsvoering over de handuitsteking is onduidelijk en de rechtbank staat partijen toe dit bewijs alsnog te leveren. De beslissing over de omvang van de schadevergoeding wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd. De rechtbank wijst de verklaring voor recht toe dat de fietser aansprakelijk is voor de schade van de motorrijder, maar de mate van vergoeding wordt nog bepaald.
Uitkomst: Motorrijder en fietser zijn elk voor 50% aansprakelijk; motorrijder moet schade fietser volledig vergoeden vanwege verzekering en billijkheidscorrectie.