ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ2139

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
15 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
69570 / HA ZA 05-342
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:42 BWArt. 6:162 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kredietovereenkomst met onmiddellijke ingang en opeisbaarheid debetsaldo

In deze zaak staat de beëindiging van een kredietovereenkomst tussen de Coöperatieve Rabobank Heerenveen en een kredietnemer centraal. De Rabobank had de kredietovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd, hetgeen door de kredietnemer werd betwist als onrechtmatig. De rechtbank heeft overwogen dat hoewel de bank onder omstandigheden een grote zorgvuldigheidsplicht heeft en de redelijkheid en billijkheid in acht moet nemen, een niet rechtsgeldige onmiddellijke opzegging kan worden geconverteerd in een geldige opzegging met een redelijke opzegtermijn conform artikel 3:42 BW Pro.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de kredietovereenkomst als duurovereenkomst geldt en dat de bank op grond van haar algemene voorwaarden in bepaalde gevallen met onmiddellijke ingang mag opzeggen. Echter, indien deze opzegging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, is deze niet rechtsgeldig. In dat geval wordt de opzegging geacht te geschieden met inachtneming van een redelijke termijn, hier aansluitend bij de drie maanden opzegtermijn uit de algemene voorwaarden.

De rechtbank concludeert dat door het verstrijken van de tijd de kredietovereenkomst als definitief beëindigd moet worden beschouwd en dat het openstaande debetsaldo opeisbaar is geworden. De stelling van de kredietnemer dat de bank misbruik van recht zou maken door betaling te eisen, wordt verworpen. De Rabobank kan wel aansprakelijk zijn voor schade die de kredietnemer heeft geleden door de opzegging, maar dit doet niets af aan de opeisbaarheid van het saldo.

De rechtbank veroordeelt de kredietnemer tot betaling van het debetsaldo van EUR 157.850,07, vermeerderd met wettelijke rente, en in de proceskosten. De vordering van de Rabobank tot beslagkosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: De kredietnemer wordt veroordeeld tot betaling van het debetsaldo van EUR 157.850,07 met rente en proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 69570 / HA ZA 05-342
Vonnis van 15 november 2006
in de zaak van
de coöperatie U.A.
COÖPERATIEVE RABOBANK HEERENVEEN,
gevestigd te Heerenveen,
eiseres,
procureur mr. R.M. Goudberg,
tegen
[gedaagde],
wonende te Drachten,
gedaagde,
procureur mr. P.P.A. van Rossum.
Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 januari 2006
- de akte uitlating en overlegging producties van de zijde van [gedaagde]
- de antwoordakte met producties zijdens Rabobank
- de akte uitlating producties zijdens [gedaagde]
- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de processtukken waaronder ook het vonnis van deze rechtbank van 18 januari 2006. De rechtbank neemt over hetgeen in voormeld vonnis is overwogen.
2.2. Bij dat vonnis zijn partijen toegelaten hun standpunten nader toe te lichten en te onderbouwen. [gedaagde] heeft in dat kader een aantal omstandigheden aangevoerd die zijns inziens de conclusie rechtvaardigen dat Rabobank de kredietovereenkomst onrechtmatig heeft opgezegd. Zo heeft volgens [gedaagde] de Rabobank haar algemene zorgplicht geschonden door onzorgvuldige besluitvorming, het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn en het onmiddellijk uitwinnen van het pandrecht.
2.3. De rechtbank overweegt dat voorgaande omstandigheden, wanneer deze vast zouden komen te staan, mogelijk schadeplichtigheid van de zijde van de Rabobank met zich kunnen brengen, maar dat deze omstandigheden niet de rechtsgevolgen van de opzegging, waaronder de opeisbaarheid van het debetsaldo, kunnen aantasten. De rechtbank overweegt daartoe verder als volgt.
2.4. De onderhavige kredietovereenkomst is een duurovereenkomst. De Rabobank kan krachtens artikel 26 van Pro haar "Algemene Voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001" (hierna: de algemene voorwaarden), welke voorwaarden, naar tussen partijen vaststaat, ten deze gelding hebben, in bepaalde gevallen deze overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigen. Zulks betekent echter niet dat de Rabobank van deze bevoegdheid onder alle omstandigheden onverkort gebruik kan of mag maken. In verband met een op bankinstellingen rustende -grote- zorgvuldigheidsplicht dient de bank bij haar besluit om een kredietovereenkomst op te zeggen steeds de eisen van de redelijkheid en billijkheid in acht nemen, hetgeen ertoe kan leiden dat een beëindiging met onmiddellijke ingang niet de toets der kritiek kan doorstaan. Wanneer de rechtbank ten deze van oordeel zou zijn dat het besluit van Rabobank tot onmiddellijke beëindiging in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, kan die opzegging niet als rechtsgeldig worden gekwalificeerd. Evenwel kan op grond van art. 3:42 Burgerlijk Pro Wetboek een niet rechtsgeldige opzegging geconverteerd worden in een geldige opzegging, i.e. een beëindiging met een redelijke opzegtermijn. In dat kader lijkt het voor de hand te liggen aansluiting te zoeken bij in artikel 17 van Pro de algemene voorwaarden, waarin voor opzegging door zowel de bank als de rekeninghouder een opzegtermijn van drie maanden is vermeld. Bij een onmiddellijke beëindiging zou dat een "verlenging" van de opzegtermijn met een periode van drie maanden betekenen.
Gezien het tijdsverloop in de onderhavige zaak is een verlenging van de opzegtermijn echter niet meer aan de orde en dient de kredietovereenkomst als -definitief- geëindigd beschouwd te worden. Door het eindigen van de kredietovereenkomst is het nog openstaande debetsaldo opeisbaar geworden en dat saldo dient door de rekeninghouder en [gedaagde] aan de Rabobank te worden voldaan. De omstandigheid dat de Rabobank aansprakelijk gehouden kan worden voor de schade die [gedaagde] als kredietnemer geleden heeft of zal lijden als gevolg van de kredietopzegging - de rechtbank sluit, gegeven de door [gedaagde] opgevoerde omstandigheden, niet zonder meer uit dat de Rabobank in deze de kredietovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd en dat de Rabobank in verband daarmee jegens [gedaagde] schadeplichtig is geworden - laat zulks onverlet. Aanvaarding van een ander standpunt (niet rechtsgeldige opzegging heeft tot gevolg dat debetsaldo niet meer betaald hoeft te worden) zou overigens ook betekenen dat de rekeninghouder en [gedaagde] juist voordeel zouden (kunnen) hebben bij een niet rechtgeldige opzegging van de zijde van de bank. Dat het instellen van een vordering ter hoogte van het verschuldigde debetsaldo door Rabobank, gelet op de omstandigheden van het geval, gekwalificeerd zou moeten worden als misbruik van recht, zoals [gedaagde] ook heeft aangevoerd, wordt door de rechtbank niet onderschreven.
In rechtsoverweging 5.3 van haar tussenvonnis heeft de rechtbank reeds overwogen dat de Rabobank geen misbruik van recht maakt door thans betaling te eisen van [gedaagde].
De vaststelling dat de Rabobank mogelijk jegens [gedaagde] schadeplichtig is doet, zoals hiervoor is overwogen, aan voormelde conclusie niet af.
2.5. Nu het verweer van [gedaagde] niet kan slagen zal de vordering van Rabobank worden toegewezen.
2.6. Rabobank vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat Rabobank heeft verzuimd de beslagstukken in het geding te brengen.
2.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Rabobank worden begroot op:
- dagvaarding EUR 71,93
- vast recht EUR 3.380,00
- salaris procureur EUR 7.105,00 (5,0 punt × tarief EUR 1.421,00)
Totaal EUR 10.556,93
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Rabobank te betalen een bedrag van EUR 157.850,07 (honderd zevenenvijftig duizend achthonderd vijftig euro en zeven eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 januari 2005 tot de dag van volledige betaling,
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op EUR 10.556,93,
3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome, mr. M. Jansen en mr. M.J. de Lange en in het openbaar uitgesproken op 15 november 2006.?