4. Beoordeling van het geschil
4.1 Artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
4.2 Vaststaat dat verweerder niet heeft gesteld dat eiser te kwader trouw was en dat verweerder voorafgaande aan de oplegging van de aanslag IB/PVV 2003, met dagtekening 24 maart 2005, bij de aanslagregeling de door eiser in zijn aangifte over het jaar 2003 gevraagde zelfstandigenaftrek heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat eiser voor de onderzochte jaren daarvoor niet in aanmerking komt. Derhalve was, naar het oordeel van de rechtbank, bij de oplegging van de aanslag sprake van een ambtelijk verzuim.
4.3 De rechtbank overweegt dat vervolgens onderzocht moet worden of het - onder 4.2 bedoelde - verzuim, waardoor de aanslag te laag is vastgesteld, het gevolg is van een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht, in welk geval navordering niet is toegestaan, of van een vergissing die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat verweerder wilde en wat in het aanslagbiljet is vastgelegd, zoals bijvoorbeeld een schrijf-, reken- of overname- of intoetsfout, en het voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was dat bij de totstandkoming van de aanslag een fout was gemaakt (Hoge Raad 9 juli 2004, nr. 38 980, VN 2004/39.3), in welk laatste geval navordering mogelijk is. Hierbij is van belang dat handelingen waarbij gegevens uit de aangifte in het geautomatiseerde systeem van verweerder worden ingevoerd, deel uitmaken van het proces dat tot vaststelling van de aanslag leidt. Ook bij deze handelingen gemaakte fouten zijn van belang bij de beoordeling of de aanslag onjuist is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten (Hoge Raad 25 februari 2005, nr. 40 546, VN 2005/13.4)
4.4 Indien verweerder gebruik maakt van een geautomatiseerd systeem komt het ontbreken of nalaten van (een tijdige) controle op de ingevoerde gegevens voor rekening van verweerder, aangezien de inrichting van het proces van aanslagregeling het gevolg is van door hem gemaakte keuzes.
4.5 Op grond van het voorgaande en gelet op de voor dit geding vastgestelde feiten is de rechtbank van oordeel dat de gemaakte fout een gevolg is van een verwijtbaar onjuiste vaststelling van de feiten door verweerder. De kenbaarheid voor eiser van die fout is in dat geval niet van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de navorderings-aanslag.
4.6 De rechtbank concludeert dat het bedoelde ambtelijk verzuim aan navordering in de weg staat, zodat de bestreden navorderingsaanslag moet worden vernietigd.