ECLI:NL:RBLEE:2009:BH4159

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/351
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 WROArt. 20 lid 1 BroArt. 8:81 lid 1 AwbArt. 8:84 AwbArt. 44 Woningwet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen vrijstelling en bouwvergunning woninguitbreiding Bolsward

Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Bolsward verleende vrijstelling en bouwvergunning voor de uitbreiding van een woning buiten het bouwvlak. Het bouwplan voorziet in een goothoogte en oppervlakte die afwijken van het bestemmingsplan "Eekwerd II, 1e herziening". Het college heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO en deze verleend.

Verzoekers betogen dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het nieuwe bestemmingsplan "Bolsward Kom" en niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college stelt dat de vrijstelling terecht is verleend en het bouwplan aan de welstandseisen voldoet.

De voorzieningenrechter overweegt dat het college bevoegd is om vrijstelling te verlenen en dat deze discretionaire bevoegdheid terughoudend moet worden getoetst. De toetsing aan de voorwaarden van het nieuwe bestemmingsplan toont aan dat het bouwplan aan de gestelde eisen voldoet. Het welstandsadvies is zorgvuldig tot stand gekomen en niet bestreden.

Gelet hierop is het oordeel dat het college in redelijkheid tot vrijstelling kon besluiten en dat het bouwplan niet langer in strijd is met het bestemmingsplan. Er is geen aanleiding de bouwvergunning te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van de bouwvergunning wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector bestuursrecht
procedurenummer: AWB 09/351
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2009 als bedoeld in artikel 8:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[naam] en [naam],
wonende te [woonplaats],
verzoekers,
gemachtigde: W. Hilbink, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bolsward,
verweerder,
gemachtigden: mr. H.E. de Hoo, werkzaam bij de gemeente Bolsward, en J. Brouwer, wethouder van de gemeente Bolsward.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bolsward (hierna: het college) vrijstelling en bouwvergunning verleend aan [X] voor het vergroten van zijn woning op het perceel plaatselijk bekend [adres] en kadastraal bekend [kadastrale aanduiding] (hierna: het perceel).
Verzoekers, wonende aan [adres], hebben tegen dit besluit bij brief van 7 januari 2009 een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben zij zich bij brief van 17 februari 2009 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de bouwvergunning wordt geschorst.
Bij brief van 18 februari 2008 heeft [X] zijn visie op de zaak gegeven.
Het verzoek is ter zitting behandeld op 19 februari 2009, waarbij het college zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verzoekers en [X] zijn met kennisgeving niet verschenen.
Motivering
Feiten
1.1 Op 25 maart 2008 heeft [X] een bouwvergunning aangevraagd voor het vergroten van zijn woning op het perceel. In de toelichting heeft [X] aangegeven dat hij extra vertrekken boven de bestaande garage, keuken en berging wil creëren.
1.2 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Eekwerd II, 1e herziening". Ingevolge dit bestemmingsplan hebben de gronden behorend bij het perceel de bestemmingen "Tuin I", "Tuin II" en "Woningen in de aangegeven klasse". De gronden met de aanduiding "Tuin I" zijn bestemd voor tuinen en de daarbij behorende andere bouwwerken. Deze bouwwerken moeten ten dienste staan van de bestemming (artikel 7, tweede lid, van de bestemmingsplanvoorschriften). Op de gronden met de bestemming "Tuin II" mogen bijgebouwen en aanbouwen worden opgericht met een goothoogte van maximaal drie meter (artikel 8, tweede lid, aanhef, sub a, onder 1, van de bestemmingsplanvoorschriften). Verder mag de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en aanbouwen niet meer bedragen dan 10% van de oppervlakte van het bouwperceel, met een maximum van 30 m² per woning (artikel 8, tweede lid, aanhef, sub a, onder 2, van de bestemmingsplanvoorschriften).
1.3 Het bouwplan voorziet in een goothoogte van 3,5 meter. Verder wordt de totale oppervlakte aan bijgebouwen na realisatie van het bouwplan ongeveer 40,8 m². Het bouwplan is dus voor wat betreft het bouwen binnen de bestemming "Tuin I", de goothoogte en de oppervlakte in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft de aanvraag om bouwvergunning daarom tevens opgevat als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.
1.4 In haar advies van 16 april 2008 heeft de welstandscommissie aangegeven dat het bouwplan, getoetst aan de gemeentelijke welstandscriteria, voldoet aan redelijke eisen van welstand.
1.5 Met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb heeft het college zijn voornemen om vrijstelling te verlenen (ontwerp-besluit) met ingang van 23 oktober 2008 gedurende zes weken ter inzage gelegd en gelegenheid geboden om zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit kenbaar te maken bij het college.
1.6 Bij brief 28 november 2008 hebben verzoekers hun zienswijze over het
ontwerp-besluit gegeven. Voorafgaand aan de terinzagelegging van dit besluit hebben verzoekers bij brief van 17 april 2008 ook al hun bezwaren tegen het bouwplan van [X] kenbaar gemaakt.
1.7 Bij het besluit van 8 december 2008 heeft het college, onder ongegrondverklaring van de tegen het ontwerp-besluit ingebrachte zienswijzen, vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend aan [X].
Het geschil
2.1 Het college heeft het vrijstellingsverzoek mede beoordeeld in het licht van het na de aanvraag om bouwvergunning ter inzage gelegde ontwerp-bestemmingsplan "Bolsward Kom". Ter zitting is overigens duidelijk geworden dat dit plan inmiddels is vastgesteld door de gemeenteraad van Bolsward en is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Fryslân.
2.2 Verzoekers zijn van opvatting dat het college geen vrijstelling had mogen verlenen, omdat het bouwplan zich niet verhoudt tot het nieuwe bestemmingsplan "Bolsward Kom". Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder c, van het ontwerp-bestemmingsplan "Bolsward Kom" kan het college dit bestemmingsplan onder bepaalde voorwaarden wijzigen ten behoeve van het vergroten van de bouwhoogte van een buiten het bouwvlak gelegen gebouw. Nu het onderhavige bouwplan, dat eveneens voorziet in bouwen buiten het bouwvlak, zich niet verhoudt tot een aantal voorwaarden (voorwaarden 2, 3 en 4) achten verzoekers het zeer opmerkelijk dat het college toch vrijstelling heeft verleend. Verzoekers zijn verder van mening dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
2.3 Het college is van opvatting dat ten behoeve van het bouwplan in redelijkheid vrijstelling verleend kon worden en dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Beoordeling van het geschil
3.1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak (het bezwaarschrift van 7 januari 2009) wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.
3.2 Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. Aan deze voorwaarden is voldaan, zodat het college de bevoegdheid toekomt om ten behoeve van het bouwplan vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO te verlenen.
3.3 Artikel 19, derde lid, van de WRO betreft een zogenoemde discretionaire bevoegdheid. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter de beslissing van het college om aan [X] vrijstelling te verlenen terughoudend moet toetsen. Aan de orde is de vraag of het college, na afweging van de betrokken belangen, waaronder die van verzoekers, maar ook die van [X], in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen.
3.4 In artikel 2.3 van het bestemmingsplan "Bolsward Kom" zijn bepalingen opgenomen omtrent het bouwen van gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder c, van dit bestemmingsplan kan het college dit bestemmingsplan wijzigen in die zin dat de bouwhoogte van een buiten het bouwvlak gelegen gebouw wordt vergroot, mits:
1. (…);
2. de lengte van de vergroting niet meer bedraagt dan 75% van de lengte van het bestaande binnen het bouwvlak gelegen gebouw behorende bij hetzelfde bouwperceel;
3. de afstand van de vergroting tot de zijdelingse bouwperceelgrens ten minste 1 meter bedraagt, tenzij het gebouw wordt aangebouwd aan een gebouw op het naastgelegen bouwperceel;
4. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie van het naastgelegen perceel.
3.5 Ter zitting heeft het college uiteengezet dat de lengte van de vergroting van het buiten het bouwvlak gesitueerde deel van het gebouw 3,12 meter bedraagt en dat de lengte van het binnen het bouwvlak gesitueerde deel van het gebouw ongeveer 6,65 meter bedraagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. De lengte van de vergroting van het gebouw, voor zover gesitueerd buiten het bouwvlak, bedraagt dus minder dan 75% van de lengte van het binnen het bouwvlak gesitueerde gebouw. Het betoog dat het bouwplan niet voldoet aan voorwaarde 2 faalt dus.
3.6 Met betrekking tot voorwaarde 3 heeft het college ter zitting aangegeven dat de garage van [X] is aangebouwd aan de garage van verzoekers. Thans is dus geen sprake van 1 meter afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat om die reden voorwaarde 3 geen betekenis heeft voor het onderhavige bouwplan; voorwaarde 3 heeft slechts betekenis voor een bouwplan dat voorziet in bouwen op een perceel waarop nog geen gebouw(en) is (zijn) opgericht. Dat het onderhavige bouwplan voorziet in de opbouw van de bestaande garage en die opbouw niet aansluit aan het gebouw van verzoekers, maakt dat dus niet anders.
3.7 Met betrekking tot voorwaarde 4 heeft het college uitvoerig uiteengezet dat en waarom realisering van het bouwplan geen onevenredige afbreuk doet aan de woonsituatie van verzoekers (licht, zicht en privacy). In dit verband is onder meer gewezen op schaduwberekeningen- en tekeningen. Hieruit blijkt dat de zonlichttoetreding op onder meer het perceel van verzoekers na realisering van het bouwplan nauwelijks zal veranderen en dat extra schaduwwerking minimaal is. Verzoekers hebben deze gegevens niet bestreden.
3.8 Met betrekking tot de welstandsaspecten overweegt de voorzieningenrechter dat het college, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is slechts anders indien het advies van de welstandscommissie naar inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen (vgl. LJN: BH2512).
3.9 Verzoekers hebben het welstandsadvies van 16 april 2008 niet bestreden met een advies van een andere deskundige persoon of instantie. Ook overigens bestaat geen grond voor het oordeel dat het welstandsadvies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, zoals het college ter zitting heeft aangegeven, het bouwplan in 2008 tweemaal is behandeld in een openbare welstandsvergadering; de eerste keer in het kader van zogenoemd vooroverleg, de tweede keer naar aanleiding van de officiële bouwaanvraag. Het college heeft zich dus op grond van het welstandsadvies in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.
3.10 Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college in redelijkheid vrijstelling kon verlenen. Daarmee is het bouwplan niet langer in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Nu het bouwplan bovendien voldoet aan redelijke eisen van welstand en geen sprake is van andere gronden op grond waarvan de bouwvergunning geweigerd had moeten worden, was het college, gelet op artikel 44 van Pro de Woningwet, gehouden bouwvergunning aan [X] te verlenen. Voor het schorsen van de bouwvergunning bestaat dus geen aanleiding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
3.11 Voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het schorsingsverzoek af.
Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van
mr. J.R. Leegsma als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2009.
w.g. J.R. Leegsma
w.g. P.G. Wijtsma
Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.