ECLI:NL:RBLEE:2009:BK2026
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Inning vordering door tweede pandhouder in strijd met rangorde pandrechten
In deze civiele zaak stond de inning van een vordering centraal waarop twee pandrechten waren gevestigd: het eerste pandrecht ten behoeve van eiser en het tweede pandrecht ten behoeve van gedaagde. Eiser vorderde betaling van een bedrag van €60.000, vermeerderd met incassokosten en wettelijke rente, omdat gedaagde onrechtmatig haar pandrecht had geëxecuteerd en geïncasseerd ten nadele van eiser.
De rechtbank stelde vast dat het eerste pandrecht op 6 juli 2004 was gevestigd en het tweede pandrecht op 22 mei 2006. Volgens artikel 3:246 lid 3 BW Pro mag alleen de eerste pandhouder tot inning overgaan. Gedaagde had echter geïncasseerd en het bedrag niet aan eiser afgedragen. Gedaagde voerde aan dat het pandrecht van eiser niet rechtsgeldig was omdat er geen overeenkomst tussen de pandgever en VDM zou zijn, en dat het pandrecht slechts voor een deel van de vorderingen zou gelden.
De rechtbank verwierp deze verweren. Het pandrecht van eiser was geldig en bestond ook voor toekomstige vorderingen, en het feit dat de vordering later anders was uitgewerkt deed hieraan niet af. De rechtbank oordeelde dat gedaagde onrechtmatig had gehandeld door te incasseren en veroordeelde haar tot betaling van €60.000, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2007, en in de proceskosten. De buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €60.000 aan eiser met wettelijke rente en proceskosten wegens onrechtmatige inning.