ECLI:NL:RBLEE:2009:BK7005

Rechtbank Leeuwarden

Datum uitspraak
17 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
17/880404-09 VEV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 SrArt. 248 SrArt. 249 SrArt. 240b Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid openbaar ministerie bij ontuchtige handelingen met minderjarige onder zorg van verdachte

De rechtbank Leeuwarden behandelde op 17 december 2009 de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in een strafzaak tegen verdachte wegens ontuchtige handelingen met een minderjarige. De verdachte werd verdacht van ontuchtige handelingen die bestonden uit seksueel binnendringen van het lichaam van een minderjarige die nog geen zestien jaar was.

De verdediging voerde aan dat de vervolging niet ontvankelijk moest worden verklaard voor bepaalde feiten omdat het ging om klachtdelicten en het slachtoffer geen klacht had ingediend. De rechtbank oordeelde dat voor het eerste feit, gepleegd in de periode 1997-1999, het slachtoffer feitelijk aan de zorg van verdachte was toevertrouwd, waardoor het misdrijf niet alleen op klacht vervolgbaar was. Dit volgde uit artikel 249 Sr Pro en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.

Voor het tweede feit was niet gebleken dat het slachtoffer aan de zorg van verdachte was toevertrouwd en was geen klacht ingediend, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk werd verklaard voor dat feit. Voor een ander feit (feit 5) was geen klacht vereist en werd het OM ontvankelijk verklaard. Mr. Kleefmann kon het vonnis niet medeondertekenen.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is ontvankelijk verklaard voor feiten waarbij het slachtoffer aan de zorg van verdachte was toevertrouwd en niet-ontvankelijk voor feiten zonder klacht en zonder zorgtoevertrouwing.

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN
Sector straf
parketnummer 17/880404-09
ad informandum gevoegd parketnummer 17/880404-09
verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 december 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],
voorheen wonende te [adres],
thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.
De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 3 december 2009.
De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. van Rooij, advocaat te Leeuwarden.
……….
Ontvankelijkheid openbaar ministerie
De raadsman en de officier van justitie hebben betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 2. en ten aanzien van feit 1. voor wat betreft de ontuchtige handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt. De telastegelegde delicten waren volgens de raadsman in de pleegperioden nog klachtdelicten en het slachtoffer, [slachtoffer], heeft geen klacht ingediend.
Met betrekking tot het onder 1. en 2 telastegelegde overweegt de rechtbank het volgende. Aan verdachte is onder 1. telastegelegd dat hij in de periode van 1 januari 1997 tot 2 december 1999 met [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, althans die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer].
Het in de pleegperiode geldende artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht bepaalde dat ontuchtige handelingen gepleegd met een persoon die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, slechts op klacht vervolgbaar waren, tenzij zich een geval voordeed als bedoeld in de artikelen 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
Volgens de Hoge Raad (zie Hoge Raad, 2 oktober 1990, LJN: AB8107) doet de situatie waarin zonder klacht vervolging voor dit misdrijf mogelijk is, zich niet uitsluitend voor wanneer in de telastelegging behalve de bestanddelen van artikel 245 tevens Pro de thans relevante bestanddelen van artikel 249 zijn Pro opgenomen. Ook indien uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat een geval als bedoeld in artikel 249 zich Pro voordoet, kan zonder dat de relevante bestanddelen uit voornoemd artikel 249 in Pro de telastelegging zijn vermeld vervolging zonder klacht plaatsvinden.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de stukken is de rechtbank gebleken dat zich hier tevens een geval als bedoeld in artikel 249 voordoet Pro, omdat [slachtoffer] ten tijde van de ontuchtige handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen aan de zorg van verdachte was toevertrouwd. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is ook sprake van aan zijn zorg toevertrouwen indien iemand feitelijk aan iemand is toevertrouwd zonder dat daaraan een juridische gezagsverhouding ten grondslag ligt. Nu is gebleken dat [slachtoffer] ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen bij verdachte, zijnde zijn pleegbroer, in Leeuwarden logeerde, was [slachtoffer] feitelijk aan de zorg van verdachte toevertrouwd, zodat zich hier tevens het geval van artikel 249 eerste Pro lid voordoet waardoor geen klacht is vereist voor de vervolging ter zake van artikel 245. Op grond hiervan acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte ter zake van het in artikel 245 omschreven Pro misdrijf zoals onder 1. telastegelegd.
Ten aanzien van het onder 2. telastegelegde geldt dat niet is gebleken dat hier zich een geval als bedoeld in artikel 249 voordoet Pro, zodat vervolging slechts mogelijk is indien [slachtoffer] een klacht heeft ingediend. Nu uit de stukken niet blijkt dat een klacht is ingediend ter zake van dit feit, er geen aangifte is gedaan en [slachtoffer] geen vervolging wenst, is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van feit 2.
De raadsman heeft voorts betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van feit 5, omdat [slachtoffer] geen klacht heeft ingediend.
In het ten tijde van de telastegelegde periode geldende artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht is niet bepaald dat vervolging slechts op klacht mogelijk is. Aangezien geen klacht is vereist voor de vervolging van dit feit acht de rechtbank het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging van verdachte ter zake van het telastegelegde onder 5.
………..
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Severein, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en
mr. F. Kleefmann, rechters, bijgestaan door mr. J. Jukema-Teertstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 december 2009.
Mr. Kleefmann is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.