ECLI:NL:RBLEE:2010:BN9628
Rechtbank Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering openbaar vaarwater en erfdienstbaarheid opvaart
Partijen zijn eigenaren van aangrenzende percelen gescheiden door een opvaart, die sinds 2000 volledig eigendom is van [C]. [A] c.s. vordert primair dat de opvaart als openbaar vaarwater wordt erkend en subsidiair dat hij door verjaring een erfdienstbaarheid heeft verkregen om de opvaart te gebruiken. Tevens vordert hij dat [C] hem het gebruik van de opvaart niet ontzegt.
De rechtbank stelt vast dat [C] als eigenaar van de opvaart ingevolge artikel 5:21 BW Pro een exclusief gebruiksrecht heeft en dat zonder toestemming van [C] geen gebruik mag worden gemaakt van de opvaart, tenzij deze als openbaar vaarwater kwalificeert. Uit de getuigenverklaringen blijkt echter onvoldoende duurzaam en frequent gebruik door beroeps- of pleziervaart om van openbaar vaarwater te spreken.
Ten aanzien van de erfdienstbaarheid oordeelt de rechtbank dat voor verkrijgende verjaring ondubbelzinnig bezit vereist is, waarbij ook goeder trouw noodzakelijk is. De feiten tonen aan dat het gebruik van de opvaart door [D] en [A] c.s. eerder een gedoogsituatie of persoonlijk recht betreft, mede omdat zij op de hoogte waren dat geen erfdienstbaarheid was vastgelegd. Het bewijsaanbod van [A] c.s. wordt als onvoldoende specifiek afgewezen. De vorderingen worden afgewezen en [A] c.s. wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt [A] c.s. in de proceskosten.