Uitspraak
2.Eiser volgde ten tijde van belang een opleiding aan de ROC Zeeland. Sinds
Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, vindt - voor zover thans van belang - herziening plaats op grond van het feit dat een beschikking is genomen waarvan de studerende of de debiteur onderscheidenlijk zijn ouder wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat deze onjuist was. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van artikel 7.1 van de Wsf 2000 vindt - voor zover thans van belang - herziening plaats op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens anders dan bedoeld onder a.
(Kamerstukken II, 2010-2011, 32 770, nr. 3, p. 5), waarin onder meer is vermeld dat de functionaris tijdens het huisbezoek grondig onderzoek doet naar de feitelijke woon- en leefsituatie van de studerende.
(Kamerstukken II, 2010-2011, 32 770, nr. 3, p.12)juist is aangegeven dat het DUO aan de hand van een risicoprofiel overgaat tot de gegevensuitwisseling als bedoeld in artikel 9.1b van de Wsf 2000. Bij het risicoprofiel dient het dan te gaan om combinaties van objectieve (gedrags-)kenmerken van de studerende zoals bijvoorbeeld leeftijd, onderwijssoort, woonsituatie en de (on-)logische combinatie van het GBA-adres van de studerende, het GBA-adres van de ouder(s) en de vestigingsplaats van de onderwijsinstelling.
20.Het beroep tegen het bestreden besluit I is dan ook ongegrond.
(TK, 32 770, nr. 3, p. 9 en 10)bij artikel 9.9 van de Wsf 2000 wordt het volgende vermeld:
mr. P.J.M. Bruijnzeels en mr. D.H. Hamburger, in aanwezigheid van mr. S.A.J. Monnens, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 december 2013.