Eiseres volgde een opleiding en stond ingeschreven op een GBA-adres waaruit verweerder concludeerde dat zij niet feitelijk woonde. Verweerder herzag haar studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende en legde een boete op wegens het niet voldoen aan de feitelijke bewoningsvoorwaarde.
Eiseres stelde dat het huisbezoek onrechtmatig was omdat toestemming was gegeven door een minderjarige medebewoner en dat haar kamer in een garage niet exclusief woongebruik betrof. De rechtbank oordeelde dat de minderjarige medebewoner ruim 17 jaar was en de consequenties kon overzien, en dat de garage niet als exclusieve woonruimte gold, waardoor het huisbezoek rechtmatig was.
De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat eiseres niet feitelijk op het GBA-adres woonde, mede vanwege de onbewoonde indruk van de kamer en het ontbreken van persoonlijke spullen. De opgelegde boete van 50% van het teruggevorderde bedrag werd als proportioneel en rechtmatig beoordeeld. Het beroep tegen de herziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, het beroep tegen de boete ongegrond.