Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Het onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van de officier van justitie
. Voor een coffeeshop moet, ingevolge het Checkpointarrest, kenbaar zijn aan welke gedoogcriteria deze zich dient te houden. Daarom en in verband met een eventuele gefaseerde handhaving van het ingezetenencriterium geldt het volgende uitgangspunt: strafrechtelijk optreden tegen coffeeshops bij overtreding van het ingezetenencriterium vindt plaats in het kader van het in de driehoek afgestemde en lokaal vastgestelde coffeeshopbeleid. Onderdeel van dit beleid is een eveneens in de driehoek afgestemde handhavingsarrangement waarin per gedoogcriterium de eventuele bestuurlijke en strafrechtelijke sancties zijn opgenomen.’
a) alleen toegang voor ingezetenen van Nederland tot de coffeeshop en verkoop aan ingezetenen van Nederland;
b) onder ingezetene wordt verstaan: een persoon die zijn (woon)adres heeft in een gemeente van Nederland;
c) de coffeeshophouder dient vast te stellen dat degene die hij toegang verleent tot de coffeeshop en aan degene aan wie hij verkoopt, ingezetene van Nederland is.
, NJ 1998,287). Daarbij kan de strafrechter de wijze waarop het Openbaar Ministerie is omgegaan met zijn discretionaire bevoegdheid slechts marginaal toetsen. De strafrechter dient zich te beperken tot de vraag of het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen. Een zekere mate van beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid bij het Openbaar Ministerie mag echter niet opgevat worden als een vrijbrief voor willekeur.
LJN: BX4280, NJ 2013,109).
. Voor een coffeeshop moet, ingevolge het Checkpointarrest, kenbaar zijn aan welke gedoogcriteria deze zich dient te houden. Daarom en in verband met een eventuele gefaseerde handhaving van het ingezetenencriterium geldt het volgende uitgangspunt: strafrechtelijk optreden tegen coffeeshops bij overtreding van het ingezetenencriterium vindt plaats in het kader van het in de driehoek afgestemde en lokaal vastgestelde coffeeshopbeleid. Onderdeel van dit beleid is een eveneens in de driehoek afgestemde handhavingsarrangement waarin per gedoogcriterium de eventuele bestuurlijke en strafrechtelijke sancties zijn opgenomen.’
LJN: BZ8548) waarbij een door de burgemeester van Maastricht aan een exploitant van een coffeeshop opgelegde last onder bestuursdwang is vernietigd, onder meer wegens een geconstateerd motiveringsgebrek met betrekking tot het in het Damoclesbeleid opnemen van het I-criterium. Tegen die uitspraak is hoger beroep ingesteld.
.Vervolgens is op 6, 7 en 8 mei 2013 ook daadwerkelijk strafrechtelijk opgetreden.
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
conflictvan plichten geen sprake was. Verdachte is derhalve strafbaar.
7.De oplegging van straf
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 5.2 is omschreven;
- verklaart verdachte strafbaar;
- veroordeelt verdachte tot een
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht,
- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte voor het einde van
tot een geldboete van € 2.500,-bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van
35 dagen.