Op 6 september 2013 reed verdachte met een personenauto op een voetganger in, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep. De rechtbank stelde vast dat verdachte met een snelheid van circa 30 km/u reed en bewust de aanrijding heeft aanvaard, ondanks dat het slachtoffer recht voor de auto stond en opsprong.
De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en een deskundige verkeersanalyse. De verdediging voerde aan dat sprake was van een ongeval en dat snelheid niet vast te stellen was, maar dit werd verworpen vanwege het sporenbeeld en de ernst van het letsel.
De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer en veroordeelde hem tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een rijontzegging van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Tevens werd een schadevergoeding van €1631,11 aan het slachtoffer toegekend.
De rechtbank hield rekening met het eigen aandeel van het slachtoffer in het ontstaan van het incident en met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. De tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke geldboete werd afgewezen wegens disproportionaliteit.
De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Maastricht op 3 december 2013.