ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ3897
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij ongeoorloofde overbrenging minderjarige naar Duitsland
De vader verzoekt de rechtbank om te bepalen dat de moeder niet met de minderjarige naar Duitsland mag verhuizen, of terug te keren naar Nederland, en om nakoming van een omgangsregeling af te dwingen. De moeder woont sinds juni 2012 met de minderjarige in Duitsland zonder toestemming van de vader, wat wordt aangemerkt als ongeoorloofde overbrenging volgens artikel 10 van Pro de Verordening Brussel IIbis.
De rechtbank onderzoekt eerst haar bevoegdheid en stelt vast dat de Nederlandse rechter weliswaar bevoegd is vanwege de ongeoorloofde overbrenging, maar dat de relatieve bevoegdheid bij de rechtbank Den Haag ligt omdat de minderjarige feitelijk in Duitsland verblijft bij de moeder, die het gezag uitoefent en geen woonplaats in Nederland heeft.
Daarom verklaart de rechtbank Limburg zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag. De procedure is gebaseerd op het Burgerlijk Wetboek en de Brussel IIbis-verordening, waarbij de woonplaats en feitelijk verblijf van de gezaghebbende ouder bepalend zijn voor de relatieve bevoegdheid.
Uitkomst: De rechtbank Limburg verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag.