ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ4364

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
C/03/179066 / JE RK 13-323
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29b lid 4 WjzArt. 29b lid 5 WjzArt. 29c lid 4 WjzArt. 29c WjzArt. 29f lid 2 Wjz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg voor minderjarige met ernstige opvoedingsproblemen

De zaak betreft een verzoek van Bureau Jeugdzorg Limburg tot voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg. De minderjarige verblijft sinds december 2012 in Gastenhof, een AWBZ-instelling, maar vertoont ernstig verzet tegen gezag en regels, loopt regelmatig weg en vertoont risicovol gedrag, mogelijk beïnvloed door derden en vermoedelijk drugsgebruik. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit en verzet zich tegen voortzetting van de uithuisplaatsing.

De gedragswetenschapper concludeert dat de minderjarige een intens verzet vertoont dat verder gaat dan normale pubergedragingen en dat een gesloten behandelomgeving noodzakelijk is om haar ontwikkelingsremmend gedrag te stoppen. De minderjarige zelf erkent weglopen en geeft aan zich onveilig te voelen in Gastenhof. De advocaat van de minderjarige betwist enkele feiten en stelt dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor drugsgebruik of contacten met loverboys.

De kinderrechter overweegt dat er grote zorgen zijn over de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarige en dat de verhouding met de opvoeders in Gastenhof ernstig verstoord is, waardoor voortzetting van de uithuisplaatsing daar niet verantwoord is. Terugkeer naar huis wordt ook als niet reëel gezien vanwege twijfel over de opvoedcapaciteit van de moeder. Gelet op de ernst van de situatie wordt voldaan aan de wettelijke criteria voor voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg. De kinderrechter verleent deze voorlopige machtiging voor vier weken en houdt het verzoek om definitieve machtiging aan, met het verzoek om advies van de Raad voor de Kinderbescherming.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in gesloten jeugdzorg voor vier weken en houdt het verzoek om definitieve machtiging aan.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 15 maart 2013
Zaaknummer: 03/179066 / JE RK 13-323
BESCHIKKING OP VERZOEK MACHTIGING UITHUISPLAATSING IN EEN ACCOMMODATIE VOOR GESLOTEN JEUGDZORG
De kinderrechter heeft de navolgende beschikking gegeven met betrekking tot de minderjarige:
[Naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [1998],
verder te noemen: [de minderjarige],
advocaat J.F.C. Eliëns,
kind van:
[Naam moeder], wonende te [woonplaats], [adres].
1. Verloop van de procedure
Op 7 maart 2013 heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (verder te noemen: bureau jeugdzorg), gevestigd te Roermond, verzocht een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te verlenen, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Voorts heeft bureau jeugdzorg verzocht aansluitend een machtiging tot plaatsing in een accommodatie van gesloten jeugdzorg af te geven conform het indicatiebesluit.
Bureau jeugdzorg heeft een indicatiebesluit overgelegd, waarin gesloten jeugdzorg geïndiceerd is voor een periode van een jaar, alsmede een verklaring als bedoeld in artikel 29b lid 4 van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) en een instemmingverklaring van drs. P.J. Heuts, gedragswetenschapper, gedateerd 6 maart 2013, die [de minderjarige] kort tevoren heeft onderzocht.
Bij beschikking van 7 maart 2013 heeft de kinderrechter het verzoek, voor zover dit betrekking heeft op het verlenen van een voorlopige machtiging zonder voorafgaand verhoor, afgewezen.
Op grond van artikel 29f lid 2 Wjz heeft de kinderrechter het bureau rechtsbijstandsvoorziening ambtshalve last gegeven tot toevoeging van een raadsman aan [de minderjarige]. Mr. J.F.C. Eliëns heeft zich bereid verklaard [de minderjarige] bij te staan.
De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 13 maart 2013.
2. Overwegingen
2.1.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] verblijft bij Gastenhof te Urmond.
[de minderjarige] staat sinds 17 februari 2011 onder toezicht van bureau jeugdzorg. Bij beschikking van 1 februari 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Limburg is machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een zorgaanbieder voor verstandelijk gehandicapte jeugdigen verleend met ingang van 1 februari 2013, en zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met ingang van
17 februari 2013 voor de duur van een jaar.
2.2.
Bureau jeugdzorg heeft in het verzoekschrift vermeld dat [de minderjarige] sinds 14 december 2012 in Gastenhof heeft verbleven. Daar is gebleken dat [de minderjarige] op geen enkele wijze gezag en/of regels accepteert. [de minderjarige] is niet in staat zich aan de structuur aan te passen die in de groep wordt gehandhaafd. Voorts is zij al drie keer weggelopen, waarna ze zelfstandig naar de groep is teruggekeerd. [de minderjarige] weigert dan te vertellen waar ze is geweest. Zij laat zich door derden negatief beïnvloeden en het vermoeden bestaat dat ze drugs gebruikt. Ze heeft vermoedelijk contact met oudere jongens en meiden en begeeft zich vermoedelijk in een loverboynetwerk. Ze heeft veel moeite met het in stand houden van een goed dag- en nachtritme. [de minderjarige] verblijft nu in groep 15 van Gastenhof. In deze groep gelden strenge beperkingen. Aangezien Gastenhof een AWBZ-instelling is, kunnen deze vrijheidsbeperkingen niet langdurig gehanteerd worden. Mede om deze reden is een gesloten plaatsing voor [de minderjarige] aangewezen.
2.3
In de ter uitvoering van de artikelen 29b lid 5 en 29c lid 4 Wjz overgelegde verklaring heeft voornoemde gedragswetenschapper verslag gedaan van de ontwikkeling van [de minderjarige] tot aan de verzoeken toe, alsmede van de gesprekken die de gedragsdeskundige op 27 en 28 februari 2013 met [de minderjarige] heeft gevoerd. De gedragswetenschapper heeft geconcludeerd dat [de minderjarige] een meisje is dat de zorgen van haar omgeving niet kan plaatsen, enerzijds door haar zwakke mogelijkheden, anderzijds door haar intense wijze van verzet tegen alles wat niet past in haar eigen plan. Dit verzet gaat verder dan de normale, leeftijdsgebonden puberreacties. Het lukt de opvoeders al geruime tijd niet om [de minderjarige] aan te sturen tot een zinvolle dagbesteding (waaronder school) en haar meer bewust te maken van haar ontwikkeltaken. Voorts is de frequentie waarin zijn wegloopt zeer zorgelijk. Volgens de gedragswetenschapper zal plaatsing van [de minderjarige] in een gesloten behandelomgeving, gespecialiseerd in de opvang van pupillen met LVB-problematiek, het ontwikkelingsremmende gedrag van [de minderjarige] moeten doen stoppen en kan pas dan een nieuwe start worden gemaakt om [de minderjarige] te helpen aan haar eigen ontwikkeling te gaan werken.
2.4.
[de minderjarige] heeft ter zitting een door haar op papier gezette verklaring voorgelezen, die aan het dossier is toegevoegd. [de minderjarige] heeft erkend dat zij twee maal uit Gastenhof is weggelopen - een keer gedurende vier dagen en een keer voor de duur van twee dagen, in beide gevallen met een vijftienjarig meisje. Voorts heeft zij verklaard zich niet veilig te voelen in Gastenhof, omdat zich daar drugsdealers ophouden die haar ook een keer met een mes en pistool zouden hebben bedreigd. [de minderjarige] zegt geleerd te hebben van haar fouten en weer thuis bij haar moeder te willen wonen.
2.5.
De advocaat heeft namens [de minderjarige] aangevoerd dat sommige delen van de aan de verzoeken ten grondslag liggende stukken niet op waarheid berusten. [de minderjarige] gebruikt geen wiet en houdt zich niet op met loverboys. Toen ze was weggelopen heeft ze zich samen met haar vriendin opgehouden met twee Nederlandse jongens van 18 jaar. Ze heeft ook met deze jongens overnacht, maar ontkent dat ze zichzelf daarbij in gevaar heeft gebracht. Ze heeft haar moeder niet van dit verblijf op de hoogte gebracht. Van structureel weglopen van [de minderjarige] is geen sprake. De verzoeken van bureau jeugdzorg berusten vooral op vermoedens. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat [de minderjarige] drugs zou gebruiken of contact zou hebben met loverboys. [de minderjarige] gaat inmiddels naar school - St. Joseph in Cadier en Keer - en wil dat ook voortzetten. De verklaring van de gedragswetenschapper wijkt in wezen nauwelijks af van die van de gezinsvoogd die het verzoekschrift heeft opgesteld, en is in die zin niet ‘authentiek’ te achten. Van een noodzaak [de minderjarige] gesloten te plaatsen is onvoldoende gebleken
2.6.
De moeder verzet zich tegen voortduring van de uithuisplaatsing. Haar is gebleken dat er in Gastenhof geen regels zijn, geen sport wordt beoefend en dat [de minderjarige] er rare dingen van andere kinderen leert. In de instelling wordt gerookt en worden drugs gebruikt. De moeder wenst dat [de minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen.
2.7.
Ter zitting is onduidelijkheid gerezen over de status van het verblijf van [de minderjarige] in Gastenhof in de periode van 20 december 2012, de datum waarop de kinderrechter de toen lopende (spoed)machtiging tot plaatsing in Gastenhof wegens een concreet vermoeden van mishandeling van [de minderjarige] door medewerkers van Gastenhof heeft ingetrokken (rechtbank Maastricht 20 december 2012, LJN: BY7127), en 1 februari 2013, de datum waarop de kinderrechter machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de toen nog lopende ondertoezichtstelling heeft verleend en voorts de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] met ingang van 17 februari 2013 voor de duur van een jaar heeft verlengd.
Uit de beschikking van 1 februari 2013 blijkt dat na de intrekking van de machtiging tot uithuisplaatsing bij beschikking van 20 december 2012, in overleg met alle betrokkenen besloten is [de minderjarige] over te plaatsen van groep 17a naar groep 15 binnen Gastenhof. De moeder heeft ter zitting van 13 maart 2013 bevestigd dat zij aanvankelijk haar toestemming tot voortduring van het verblijf van [de minderjarige] in Gastenhof heeft gegeven.
Desgevraagd hebben [de minderjarige], haar advocaat en de namens bureau jeugdzorg verschenen heer M. Backus, die niet de gezinsvoogd van [de minderjarige] is, verklaard de beschikking van 20 december 2012 niet te kennen. Deze verklaringen riepen in het bijzonder de vraag op of [de minderjarige] zelf kennis heeft verkregen van deze beslissing. [de minderjarige] heeft ter zitting verklaard dat zij zich bewust was van het feit dat er een beslissing was genomen en dat haar, desgevraagd, door medewerkers van de instelling was verteld dat zij nog ‘een papier’ van de rechtbank zou krijgen. Uit onderzoek van de kinderrechter is gebleken dat de rechtbank het voor [de minderjarige] bestemde exemplaar van de beschikking van 20 december 2012 heeft verstuurd aan de moeder. Dat [de minderjarige] onkundig is gebleven van de beschikking van 20 december 2012 is dan ook niet te wijten aan bureau jeugdzorg of Gastenhof, al bevreemdt het de kinderrechter wel dat de ter zitting aanwezige vertegenwoordiger van bureau jeugdzorg niet van deze beschikking op de hoogte was.
2.7.
De kinderrechter is met (de advocaat van) [de minderjarige] van oordeel dat de verklaring van de gedragswetenschapper, die tezamen met het indicatiebesluit het advies dient in te houden op grond waarvan de kinderrechter moet kunnen oordelen, weinig toevoegt aan de door de gezinsvoogd beschreven toedracht van de verzoeken. Van een eigen, vanuit specifieke deskundigheid ingegeven, en daardoor met enige distantie gegeven, oordeel over de oorzaak van de problemen van [de minderjarige] en de behandeling die in verband daarmee voor haar noodzakelijk is, geeft de instemmingsverklaring onvoldoende blijk.
2.8.
Met betrekking tot de vraag of uit de stukken en het verhandelde ter zitting als zodanig al blijkt van voldoende noodzaak tot een gesloten plaatsing van [de minderjarige], overweegt de kinderrechter dat genoegzaam gebleken is dat er sprake is van grote zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [de minderjarige]. Deze zien in bijzonder op de onzekerheid over wat [de minderjarige] doet als zij is weggelopen en het risico van contacten met loverboys. Dat er al sprake van dergelijke risicovolle contacten zou zijn geweest, is echter niet gebleken. Gelet op, onder meer, de verklaringen van [de minderjarige] en haar moeder, zijn er echter wel voldoende aanwijzingen voor risicovolle situaties in de directe nabijheid van Gastenhof, waarbij het voor de kinderrechter niet is in te schatten in hoeverre deze risico’s zijn ingegeven door gedrag van [de minderjarige] zelf of – zoals de moeder in wezen heeft gesteld – door tekortschietend toezicht van Gastenhof. Wat in elk geval uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt is dat de verhouding tussen [de minderjarige] en haar opvoeders in Gastenhof ernstig is verstoord. De medewerkers van Gastenhof kunnen niet langer voor de veiligheid van [de minderjarige] instaan, zodat voortzetting van de huidige uithuisplaatsing niet in de rede ligt. Daarentegen acht de kinderrechter terugkeer van [de minderjarige] naar huis evenmin een reële optie. De kinderrechter twijfelt niet aan de goede wil van de moeder [de minderjarige] weer in huis te nemen. Gelet op de voorgeschiedenis is er echter aanleiding tot gerede twijfel of de moeder de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan zal kunnen, en in het bijzonder of de moeder de veiligheid van haar dochter kan waarborgen.
2.9.
Gelet op al het voorgaande is er naar het oordeel van de kinderechter sprake van een ernstig vermoeden dat onmiddellijke verlening van jeugdzorg noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen van [de minderjarige] die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat zij zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarmee is voldaan aan de wettelijke eisen voor het verlenen van een voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg (Wjz) als bedoeld in artikel 29c Wjz. Gelet op artikel 29h lid 5 Wjz zal de kinderrechter deze voorlopige machtiging verlenen voor de duur van vier weken. Op grond van artikel 29h lid 1 Wjz is deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
2.10.
In verband met hetgeen hiervoor, onder punt 2.7 is overwogen, acht de kinderrechter het, mede gelet op artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, noodzakelijk, zich, alvorens te beslissen op het verzoek om machtiging tot gesloten plaatsing als bedoeld in artikel 29b Wjz, nader te laten adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter zal de raad verzoeken, zo mogelijk vóór de zitting schriftelijk aan de kinderrechter te adviseren. Voorts zal de raad voor de zitting worden opgeroepen.
3. Beslissing
De kinderrechter:
verleent voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken;
houdt de beslissing op het verzoek om een machtiging tot uitplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b Wjz aan;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de kinderrechter zo mogelijk binnen vier weken schriftelijk te adviseren over de noodzaak van een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van gesloten jeugdzorg als bedoeld in artikel 29b Wjz.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.E. Bakker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan voor wat de voorlopige machtiging betreft - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof
's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.